Troost? Eerst wodka en Kleenex, dan de poëzie

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: hoe poëzie antwoord geeft op vragen waarvan je niet wist dat je ze had.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Regelmatig krijg ik de vraag of een gedicht kan troosten. Het internet denkt in ieder geval van wel: google ‘troost’ in combinatie met ‘poëzie’ en je krijgt 223.000+ zoekresultaten met gedichten als ‘Het leven is niet zonder zorgen/ Het leven is niet zonder pijn / Maar denk dan aan morgen / Dat die dag wel heel mooi zou kunnen zijn’.

De verzen die je door dit soort zoektermen tegenkomt, lijken allemaal op elkaar. De bemoediging staat hier centraal en niet de poëzie. Niet het taalspel en ook geen onverwachte invalshoeken of vergelijkingen. Betekent dit dat ‘echte’ poëzie geen troost kan bieden? Nee. Poëzie kan zeker troosten, maar op een andere manier dan je denkt.

Kijk, bij acuut, intens verdriet heb je natuurlijk geen behoefte aan gedichten, maar aan een pak Kleenex en een fles wodka. Knappe jongen die een gedicht kan lezen terwijl hij zich de ogen uit de kop jankt. Poëzie komt in beeld bij langduriger vormen van verdriet, zoals rouw. Vaak heb je dan niet echt zin om met anderen te praten, maar is je geest wel in beslag genomen door het verlies. Om met je gemis om te leren gaan, heb je taal nodig. Verwerken begint vaak met verwoorden. Iets bestaat pas als je erover kunt praten. Met anderen, maar ook via een gedicht.

De vinger op de zere plek

Sommige gedichten kunnen pijn zo raak beschrijven dat je er een opkikker van krijgt. Een vriend van mij eiste altijd zoveel van zichzelf, dat hij in een zware depressie belandde. Toen hij opkrabbelde, raakte hij verslingerd aan de gedichten van Jotie ‘t Hooft, vanwege regels als: ‘Er zijn momenten waarop ik eeuwenlang / mijmerend volmaakt gelukkig ben: / wanneer ik dan mijn handen op de aarde leg / zijn het kleine handen.’ Een vriendin wier broer zijn eigen leven nam, kon het langzaamaan een plek geven door het werk van de Amerikaanse dichteres Anne Sexton: ‘surely you know that everyone has a death, / his own death, / waiting for him’, juist omdat er in Sextons gedichten geen taboe op zelfmoord rust.

Toen ik Anne Vegter, onze Dichter des Vaderlands, er eens naar vroeg, zei zij: „De troost van een gedicht zit in hoe de bewoordingen gevoelens kunnen ontketenen in de lezer” en ik ben het met haar eens. Dat is één manier waarop de poëzie troost kan bieden. Het kan de vinger op de zere plek leggen. Het kan door een rake verwoording je verdriet bestaansrecht geven. Het is niet onopgemerkt gebleven, en dat is al heel wat waard.

Maar af en toe kun je je ook zomaar rot voelen. De een noemt dat melancholie, de ander een dipje, een derde zegt dat hij zijn dag niet heeft. Deze toestand wordt soms verergerd door een kater of een belastingaanslag, maar de kern is: hij is er opeens, zonder aanwijsbare reden. In sommige gevallen betreft dit een somberheid die zich nooit zal laten verklaren. Maar soms ontdekken we door een film of een terloopse opmerking of, in mijn geval, een gedicht, opeens wat er al jarenlang aan ons vrat. En ik denk dat dit de tweede vorm van troost is die poëzie kan bieden.

Het overkwam mij toen ik het gedicht ‘For Jane’ las, van de Amerikaanse dichter Charles Bukowski (1920-1994). Ik had eens een vriendin die er een gewoonte van had gemaakt om al haar frustraties op mij af te reageren. Op een zeker moment kon ik het niet meer aan en verbrak ik de vriendschap. Opgeruimd staat netjes dacht ik, toen ik haar telefoonnummer wiste. Tot ik jaren later dit gedicht van Bukowski tegenkwam. Opeens, vanuit het niets, moest ik aan haar denken en ontzettend huilen. Ik huilde niet om hoe vervelend die vriendin was geweest, maar om hoe leuk ze in de beginjaren van onze vriendschap was. Hoe lief en betrokken. En hoe ze door een zure familie en een benauwende relatie was veranderd in iemand die negativiteit afscheidde alsof het napalm was en dat we daar beiden niets aan konden doen.

Iedereen haalt er iets anders uit

Ik rouwde om het feit dat iemand van wie ik hield, voor mijn neus was veranderd in iemand van wie ik niet meer hield. Het werd voor mij allemaal samengevat in de zin ‘wat jij was / zal nooit meer gebeuren’, al kan ik niet helemaal verklaren waarom. Ik beweende de oude versie van mijn vriendin, die even onherroepelijk verdwenen was als Bukowski’s Jane.

Iedereen haalt iets anders uit een gedicht, want we maken allemaal verschillende dingen mee. Wie een gedicht leest, leest dus ook zichzelf. En stuit daardoor soms op luikjes die opeens openklappen. Je kan door een gedicht een gevoel ontdekken waar je al die tijd mee liep. Dat is voor mij een van de grootste cadeaus die de poëzie je kan schenken. Het is een geweldige bonus voor ieder uur dat je las. Dan geeft poëzie antwoord op vragen waarvan je helemaal niet wist dat je ze had, maar die je absoluut eens beantwoord moest zien, om verder te kunnen.