Column

Sweet-as

Een gigantische knal maakt abrupt een einde aan ons gezang. Haastig draait Bjorn de auto in de berm. En een minuut later staan we met zijn drieën naast de oververhitte auto. Een rivier van kokend water sijpelt over het asfalt naar beneden. Het dorp in Nieuw-Zeeland, waar ik als huisarts zal gaan werken, is nog minstens 2 uur rijden.

Ik grijp mijn telefoon. Geen bereik. En we hebben al een half uur geen andere auto’s gezien. Bestaat er hier überhaupt wel een wegenwacht? „Die klote autodealer”, vloekt Bjorn en hij begint de helling op te lopen. „Op de top is vast bereik.”

Luid getoeter schrikt me op uit mijn gepeins. Een half vergane Corolla komt naast me tot stilstand. „Hey honey, need help?” De alcoholwalm doet me bijna achterover slaan. „Thanks. Our friends are almost here”, zeg ik snel. Terwijl hun auto uit het zicht verdwijnt, kijk ik naar onze dochter, in haar autostoeltje op het asfalt. „Veiliger als jij bij Daisy blijft. Ik loop wel omhoog.”

Wat een idioten zijn we, bedenk ik, terwijl ik in de schemer over het ijzige asfalt klauter. Euforisch kwamen we gisteravond aan op Christchurch Airport met onze acht koffers en twee fietsen. De spullen pasten in geen enkele taxi. Gelukkig wilde de eigenaar van het motel wel drie keer heen en weer rijden. Het autostoeltje was niet aangekomen, maar de man aan de bar van het motel wist nog wel een tweedehands winkel. En na een gigantisch bord eggs benedict gingen we vanochtend uitgelaten op autojacht. „Een 4WD” was Bjorns criterium. „Eentje waar acht koffers en twee fietsen in passen” was het mijne. En daar, bij de 12de autodealer, stond hij dan: een Mitsubishi Pajero, 1992, 320.000 op de teller, prijs binnen ons budget en gróót.

Intens gelukkig laadden we ons juweeltje vol. Wij en de Pajero: voor elkaar gemaakt. „Dít is waarom”, zeiden we tevreden tegen elkaar, terwijl we door de bergen slingerden en de zon de lucht rond de besneeuwde toppen rood kleurde, „avontuur. Ontsnappen aan het voorspelbare. Aan de andere kant van de wereld in een 4WD op weg naar een onbekende bestemming.”

Twee streepjes! Rillend toets ik het nummer van de autodealer. „Hmm.. Ik ken wel een takelbedrijf. Bel zo terug.” Ik veeg wat sneeuw van een steen en ga zitten. No signal. Ik loop wat verder, tot mijn telefoon gaat. De autodealer: „De man is niet thuis, maar zijn vrouw kan misschien wel komen met de takelwagen. Maar ze moet de kinderen…” dan valt de verbinding uit.

Ik loop terug naar de Pajero. Bjorn zit inmiddels met Daisy op de achterbank, voeten op de achtste tas, twee truien om hen heen gewikkeld. Ik schuif tegen hen aan en twee uur lang vervloeken we „ons kut-avontuur”, „de klote-dealer” en „het kansloze telefoonnetwerk”.

Plotseling worden we verblind door twee lichten. Een grote Maorivrouw stapt uit de takelwagen, legging aan en wollen sokken in slippers, peuk in haar rechter mondhoek. „Bad luck, hey. Cold?” Ze rijdt haar Holden V8 van de takelwagen af, trekt vervolgens de Pajero erop, overhandigt Bjorn een sleutelbos en klimt de cabine weer in. Naast haar zitten drie kinderen met een grote zak chips. Beduusd staart Bjorn naar de autosleutels in zijn handen. „Are you sure you want me to drive …” Ze lacht een gouden tand bloot, „Sweet-as, Mate” en slaat de deur dicht.