Oscar Harris: Ik zing meer jazzy en bluesy

De Surinaamse zanger Oscar Harris (71) presenteerde gisteravond in de Rotterdamse Doelen zijn nieuwe cd. Hij is de tel kwijt, maar hij denkt dat het zijn 24ste album is. De zanger toert weer wekelijks door het land.

Oscar Harris manifesteert zich op zijn nieuwste album als crooner, maar schakelt net zo gemakkelijk over op latin, salsa of hiphop. Foto Rink Hof

In de Rotterdamse Doelen stijgt gejuich op. Hier heeft het wat oudere publiek op zitten wachten. Niet voor niets wordt hij door MC Edgar Burgos, de onvermoeibare frontman van Trafassi (Kleine wasjes, grote wasjes), aangekondigd als levende legende en grootste artiest van Surinaamse bodem.

Met een aanstekelijke grijns beklimt Oscar Harris (71) het podium. Zijn motoriek oogt misschien een tikje stram, zijn postuur iets taniger maar van zijn stem, timing en appeal heeft hij geen greintje ingeleverd, blijkt als hij een medley van zijn hits zingt. Onder het motto ‘entertaining is my business’, toert hij weer wekelijks door het land.

Van een comeback wil Harris niet spreken. In de afgelopen ruim vijftig jaar is hij toch nooit weggeweest? Goed, een paar jaar terug werd hij geveld door een mysterieuze infectie; dat heeft hem wel wat optredens gekost. Maar voor de rest? Springlevend is hij en in geen geval te oud om zich verder te ontwikkelen. Op zijn nieuwe cd Soldiers prayer & andere poku’s manifesteert hij zich eerst als crooner die Lou Rawls en Pat Boone benadert. Daarna schakelt hij met even groot gemak over op latin, salsa of zelfs hiphop. Terwijl jazz en blues hem uitdagen om met zijn stem te variëren. „Ik ben wat meer jazzy en bluesy gaan spelen”, zegt hij erover. „ Als zanger moet ik me blijven ontwikkelen toch?”

In 1960, krap zeventien jaar oud, maakte Harris in Paramaribo zijn debuut. Met een invalbeurt voor de indertijd razend populaire zanger Max Nijman was zijn naam in één klap gevestigd. Overal mocht hij komen zingen en ze voorspelden hem een gouden toekomst.

Persoonlijk had hij andere plannen. Architect wilde hij worden en anders dominee; daarmee zou hij een familietraditie in ere houden. Vandaar dat hij op zijn negentiende naar Nederland vertrok. Vóór hij werk kon maken van zijn opleiding werd hij gestrikt door The Twinkle Stars. De doorbraak van deze eerste Nederlandse band met uitsluitend donkere muzikanten verliep via de Wereldomroep. Die stuurde hun eerste plaatopnames fanatiek de ether in. Het gevolg was dat de op Nederland georiënteerde luisteraars overal ter wereld kennismaakten met een Surinaamse versie van R&B.

The Twinkle Stars werden een vaste act op feesten van studenten die vanuit Indonesië, de West of Amerika met een beurs naar Nederland waren gekomen. Begin jaren 70 brak de groep door met T.O.P. en Soldiers Prayer dat zelfs bovenaan de hitlijst terechtkwam. Na een aarzelend begin als soloartiest scoorde Harris in 1980 met Song for the children een wereldhit. Het was de opmaat voor jaarlijkse tournees door Indonesië, Israël, Afrika en Zuid-Amerika.

De laatste jaren verdween hij enigszins uit beeld. Harris bleef weliswaar optreden maar moest het ook hebben van een rol in de tv-serie Krasse Knarren. Nu is hij vaandeldrager van het muziekproject Sranan Gowtu (Surinaams goud) van platenmaatschappij Top Notch die daarmee Surinaamse muzikanten in een cd-reeks onder de aandacht brengt.

Harris’ nieuwste cd is er een van. Hij is de tel van zijn albums kwijt: het lastige is dat er een paar verzamelaars tussen zaten en de overgang van elpees naar cd’s erin zat. Harris houdt het op album nummer 24: „Leuk toch? Hier kan ik echt van genieten. Voor een volle zaal spelen, mensen een mooie avond bezorgen en intussen blijven schaven aan mijn techniek.”