Iedere discussie eindigt met Hitler

Hoe langer een online discussie, hoe waarschijnlijker de vergelijking met nazi’s. ‘Godwin’s Law’ bestaat 25 jaar.

Beelden van de website catsthatlooklikehitler.com, een verzamelplaats voor foto’s van katten die op Adolf Hitler lijken – door de website consequent ‘kitlers’ genoemd.

‘Het lijkt wel een wet dat je oordopjes binnen vijf minuten in de knoop raken als je ze niet gebruikt”, is het eerste wat Mike Godwin zegt aan de telefoon vanuit Washington DC, nadat we formaliteiten hebben uitgewisseld. En meteen lijkt het alsof deze man gewoon met enige regelmaat een nieuwe wet bedenkt. Maar als dat al zo is, is er in elk geval maar één die bekend is geworden als ‘Godwin’s Law’: „Naarmate een online discussie langer doorgaat, nadert de waarschijnlijkheid van een vergelijking met de nazi’s of Hitler één.” Oftewel: als een discussie op internet maar lang genoeg doorgaat, is er op een gegeven moment altijd wel iemand die Hitler of de nazi’s erbij haalt.

Dit jaar vierde die wet zijn 25ste verjaardag. Waarschijnlijk. En waarschijnlijk hebben we die dag al gemist. „Het was ergens tussen de lente van 1989 en de zomer van 1990”, zegt Godwin, inmiddels met oordopjes in. Toen heeft de 58-jarige Amerikaanse advocaat zijn wet bedacht. Maar de stokoude bulletin boards waarop hij die verspreidde, zijn niet bewaard gebleven. De oudst bekende vindplaats, vertelt hij, dateerde uit 1991. En die verwijst naar oudere voorbeelden die niet meer op te graven zijn. Godwin schat dat hij zijn wet in 1990 heeft bedacht – op zijn laatst. En ja, hij heeft hem zelf opzettelijk zijn eigen naam gegeven. „Zoals in biologisch onderzoek een bepaalde chemische stof met radioactieve isotopen wordt gemerkt, zodat je die stof kunt volgen.” Zo wilde hij kunnen volgen waar zijn idee allemaal heenging.

Straks meer over hoe het komt dat een advocaat zo’n nerdy, bètawetenschappelijke manier van denken heeft. Maar eerst meer over Godwin’s Law. Eind jaren 80 las Mike Godwin veel Holocaustmemoires, vertelt hij. „Afgrijselijk.” Tegelijkertijd kwam hij in discussies op het pre-internet computernetwerk Usenet al veel onterechte vergelijkingen met de nazitijd tegen. Dat vond hij erg: „Ik vroeg me af wat ik daartegen kon doen.” Hij dacht: het is een meme, een zichzelf snel verspreidend idee, om overal Hitler en de nazi’s bij te slepen. Misschien kon hij die meme aanvallen met een ‘tegen- meme’. „Maar ik was niet beroemd, ik had niet veel invloed, dus ik realiseerde me dat ik slim moest zijn.”

Hoe dan?

„Mensen vinden het niet leuk als je het met ze oneens bent in een discussie, maar ze vinden het nóg minder leuk om voorspelbaar te zijn. Als je tegen ze zégt dat ze voorspelbaar zijn, gaan ze met je in discussie. Dat werkt dus niet. Daarom maakte ik die kritiek impliciet door het te formuleren als een natuurwet. Dat dwingt mensen om erover na te denken.” Vervolgens postte hij Godwin’s Law in allerlei discussies op Usenet en in bulletin boards op momenten dat volgens hem ten onrechte Hitler of de nazi’s ergens werden bijgehaald.

En, heeft het gewerkt?

„Ik vind dat het best goed gewerkt heeft. Je ziet nog steeds dat regelmatig iemand Godwin’s Law erbij haalt. Het is nu niet meer aan mij. Net als mijn dochter van 22 jaar heeft de wet inmiddels een eigen leven.”

Maar mensen maken nog steeds vergelijkingen met Hitler of de nazi’s.

„Ja, heel vaak. Maar dan moeten ze op Godwin’s Law reageren, zelfs als ze niet willen. ‘Godwin’s Law gaat hier niet op’, zie je ze soms zeggen, of: ‘Dit klinkt misschien als een voorbeeld van Godwin’s Law, maar...’ Dus ze tonen in elk geval enig bewustzijn van wat ze doen.”

Werken tegen-memen eigenlijk in het algemeen?

„Oh, zeker. Ze worden niet vaak tegen- memen genoemd, maar je ziet sowieso dat ideeën met een bepaalde aantrekkingskracht zich snel verspreiden. Elke keer dat je iets op twitter plaatst dat veel mensen willen retweeten, heb je een meme gecreëerd die zichzelf verder voortplant. Weet je wat ik doe, dit is wat ik zo fijn vind aan sociale media, ik vraag meteen even aan mijn twittervolgers of zij goede voorbeelden weten.” Terwijl we aan de telefoon zitten, twittert hij: „A Dutch journalist asks if there are other memes as prolific or frequently retweeted as Godwin’s Law. Any examples?

Uw twitternaam is @sfmnemonic. Waarom is dat?

„Ik wilde @mnemonic, maar ik was te laat. Ik gebruik al meer dan dertig jaar de naam Mnemonic op internet en in e-mailadressen, naar Johnny Mnemonic van William Gibson.” In dat verhaal, uit 1981, krijgt de hoofdpersoon extra dataopslag in zijn hoofd geïmplanteerd. „Toen nam ik maar SFMnemonic, SF van San Francisco, waar ik woonde, en van science fiction, waar ik een groot fan van ben.”

Natuurwetten, radioactief markeren, een waarschijnlijkheid die één nadert, science fiction... Als ik niet wist dat u advocaat was, had ik wiskundige of natuurkundige gegokt.

„Tja, ik ben een advocaat die veel van wis- en natuurkunde afweet. Ik heb een heel breed programma gevolgd aan de universiteit. Daarna wilde ik promoveren in de experimentele psychologie, omdat ik dat interessant vond om over te lezen. Maar het onderzoek vond ik saai, in mijn eentje in het lab, en het experimenteren op dieren wat toen gebruikelijk was, vond ik vreselijk; dat kon ik niet. Dus ben ik naar Engelse literatuur geswitcht. En ik begon voor studentenblaadjes te schrijven. Het was voor het eerst dat daar computers voor werden gebruikt en uiteindelijk raakte ik geïnteresseerder in de manier waarop die computers werkten dan in literatuur.”

Godwin schreef een programmaatje dat de lettergrootte automatisch aanpaste aan de grootte van het vakje waar de tekst in moest, zodat er geen eindredactie meer aan te pas hoefde te komen. Een ander programmaatje waarschuwde hem als een eindredacteur iets in zijn tekst veranderde, zodat hij dat indien nodig op het laatste moment kon terugveranderen, zonder dat de eindredactie het merkte – de droom van elke journalist.

Heeft u dat Engels nog afgemaakt?

„Nee, ik ging de journalistiek in en werkte als computerconsultant, zodat ik een eigen computer kon kopen. In die tijd wilde iedereen met een computer, een modem en een telefoonlijn met elkaar praten. Ik zag die revolutie gebeuren. En omdat niemand wist wat er op dat gebied geregeld was, raakte ik geïnteresseerd in online vrijheid van meningsuiting. Daardoor ging ik rechten studeren. Uiteindelijk wist ik genoeg van zowel computers als rechten dat ik toonaangevende casussen kon becommentariëren. Daarna nam de Electronic Frontier Foundation me in dienst.” Dat was in 1990; die Amerikaanse stichting verdedigt burgerrechten op internet.

Godwin is nog steeds op dat terrein actief: „Ik werk nu voor Rstreet, een denktank waar ik me met allerlei beleidszaken bezighoud, zoals de NSA, het reguleren van emailprivacy, copyright en vrijheid van meningsuiting op internet. Laatst heb ik bijvoorbeeld ook met burgerrechtengroeperingen in Cambodja en de Filippijnen gesproken, over de manier waarop je burgerrechten online kunt veiligstellen.”

Als we hebben opgehangen, blijken verschillende twitteraars op Godwin’s vraag naar succesvolle memen te hebben gereageerd. Eén grappenmaker noemt Kim Kardashian, een veelbesproken Amerikaanse societyster met een eigen realityshow. Een ander twittert een link naar de videoclip van het lied Never Gonna Give You Up van Rick Astley – naar die clip linken zonder dat het relevant is (rickrolling), is een internetgrap die al sinds 2007 circuleert. Er zijn ook serieuze suggesties: de Wet van Poe – ‘extremisme is niet te onderscheiden van parodieën op extremisme’ – en het Streisandeffect: ‘elke poging om informatie van internet te verbergen of te verwijderen trekt alleen maar méér de aandacht’ (Barbara Streisand probeerde in 2003 een foto van haar huis van internet af te krijgen; die foto staat nu op Wikipedia).

Maar de voorbeelden die Godwin zelf nog mailt, na het telefoongesprek, zijn de mooiste. ‘Lewis’s Law’: de (internet)commentaren op elk artikel over feminisme rechtvaardigen feminisme. En, mailt Godwin: „Ik vind #jesuischarlie ook heel goed.”