Column

Het móét en zál slecht gaan in Nederland

Man, wat gaat het slecht met Nederland. Tenminste als je Nobelprijswinnaar Paul Krugman moet geloven. Krugman, fel criticus van de deal die gesloten is tussen de eurozone en Griekenland, haalde begin deze week Nederland aan als voorbeeld van het voortduren van de eurocrisis. „Finland maakt een depressie door die vergelijkbaar is met Zuid-Europa, en Denemarken en Nederland doen het ook zeer slecht.”

Drie fouten in één zin, dat is knap. Eerst de Finse ‘depressie’: de Spanjaarden, Portugezen en Grieken (‘Zuid-Europa’) zouden willen dat ze de laatste vier jaar zulke groei- en werkloosheidscijfers hadden gehad. De Finse beproevingen hebben meer te maken met de slechte papierprijs en de lotgevallen van Nokia dan met de euro. Zou een devaluatie van de Finse mark, als die nog had bestaan, van Nokia weer de innovatieve voorloper hebben gemaakt die het ooit was?

Dan kort over Denemarken: dat is helemaal geen lid van de monetaire unie. Nederland heeft wél de euro, maar kan dit jaar een economische groei van 2 procent verwachten. Het vertrouwen van burgers en bedrijven is het hoogst sinds het begin van de crisis. Toch gaat het hier volgens Krugman kennelijk „zeer slecht”.

Je zou bijna gaan denken dat de theorie hier vóór de feiten gaat. En misschien is dat ook wel zo. Krugman kritiseerde het Nederlandse begrotingsbeleid in een fel stuk in 2013 (‘Very ernstig people’) en lijkt nu niet in staat waar te nemen dat het economisch herstel er desondanks is. Het moet en zal hier slecht gaan.

Het tekent de inmiddels vastgelopen strijd tussen ‘bezuinigers’ en ‘stimuleerders’, die met de Griekse crisis nu kort opflakkert. De stellingen zijn betrokken, en het blijkt moeilijk om objectief te blijven. En zelfkritisch. De vermaarde econoom Jeffrey Sachs hekelt het draconische bezuinigings- en hervormingsplan dat de Grieken wordt opgelegd. Maar dat program is nog mild vergeleken met de schoktherapie die Oost-Europa begin jaren negentig door de strot geduwd kreeg – op advies van Jeffrey Sachs zelf.

De econoom wordt hier een profeet: voorwaar, voorwaar ik zeg u! En juist bij voorspellingen lopen feit en mening al helemaal snel door elkaar. Maar het zijn juist prognoses die veel meer publiciteit opleveren dan diagnoses. En dan kom je al snel in het mistige gebied tussen waan en realiteit.

Gelukkig weet Krugman daar de weg, getuige zijn stuk van 2013 over de bezuinigingsdrift van het Nederlandse kabinet. „Hoe kan een serieus iemand er zo van overtuigd zijn dat prominente macro-economen allemaal fout zitten, en bureaucraten zonder voorspellende staat van dienst het bij het juiste eind hebben?”

Subtekst: prominente macro-economen hebben wél een voorspellende staat van dienst? Wel, wees er zeker van dat er zeer veel prominente macro-economen zijn, ook in Nederland, die gruwen van al het orakelen van hun collega’s.

En Krugman zelf? In techkringen wordt nog steeds gegniffeld om zijn voorspelling uit 1998, in het blad Red Herring, over internet. „Rond 2005 wordt het duidelijk dat de impact van internet op de economie niet groter zal zijn geweest dan die van de fax.”

Nobelprijswinnaars hebben een fantastische prestatie geleverd op hun vakgebied. Maar daarom fietsen ze niet harder, koken ze niet lekkerder en doen ze het even beroerd als anderen aan de roulettetafel. Getuige de titel van de Red Herring-column uit 1998: Why most economists’ predicions are wrong.

Je leert van fouten. Maar je leert ook van feiten. Een econoom die dat laatste laat varen, wordt een ideoloog. Laten we afspreken ons hier niet voor het karretje te laten spannen van de Amerikaanse culture wars.