Geluk zit op de fiets, op elk moment kunnen komen en gaan

Illustratie Dario Castillejos

Zou de verklaring voor de hoge geluksscores van Nederlandse jongeren niet eenvoudigweg in de fiets liggen?

Zonder ouderlijke bemoeienis, auto, of hulp, zonder bustijden en -tickets op elk moment kunnen gaan en terugkeren. Naar vriendjes, feestjes en andere (geheime) bestemmingen, zou dat niet de gelukstroef zijn van de Nederlandse puber?

Mijn dochter onderzocht deze hypothese voor haar profielwerkstuk toen wij tijdelijk in Madison (Wisconsin) woonden. Nederlandse en Amerikaanse leerlingen van haar beide scholen kregen dezelfde vragenlijst voorgelegd, met vragen over hoe ze zich verplaatsen, hoe ver ze van hun vrienden, clubs etc. wonen, wat de regels thuis waren over hun whereabouts buiten schooltijd en hoe vaak ze sociale contacten hadden buiten school.

Zij vond inderdaad enige steun voor de fietsfactor: Amerikaanse en Nederlandse kinderen die zich op de fiets redelijk vrij verplaatsten waren gelukkiger dan kinderen die beperkt waren in hun bewegingsvrijheid door afhankelijkheid van ouders of openbaar vervoer.

Nederlandse kinderen fietsten bijna allemaal. Voor hen was de fietsfactor minder onderscheidend.

Waarschijnlijk zal de fiets voor kinderen van de grachtengordel, die door allerlei andere voordelen zich toch al aan het plafond van de geluksschaal begeven, minder cruciaal zijn dan voor de puber in de sociale buitenwoonwijk van de stad.

Laatstgenoemde puber dankt het in hoge mate aan zijn fiets, dat hij in eigen gekozen kringen en op eigen hangplekken zijn eigen dingen kan doen. Dat is geluk.

Universitair Docent Cognitieve Psychologie, Universiteit Leiden