Fraudebestrijders, kom niet tussen arts en patiënt

Het medisch beroepsgeheim is niet absoluut. Gezondheidsbelangen groter dan die van de patiënt rechtvaardigen doorgifte van gegevens aan derden. Bestrijding uitkeringsfraude dient geen gezondheidsbelang, stelt Martin Buijsen.

Illustratie Cristina Sampaio

Het kabinet wil het medisch beroepsgeheim wettelijk inperken. In het conceptwetsvoorstel staat dat verzekeringsartsen van uitkeringsinstantie UWV en medisch adviseurs van de Sociale Verzekeringsbank en het Centrum Indicatiestelling Zorg inzage moeten geven in patiëntendossiers bij vermoedens van ‘gezondheidsfraude’. Artsenorganisaties hebben met ontzetting van het voorstel kennis genomen. En terecht.

Het bestrijden van uitkeringsfraude is een alleszins legitiem beleidsdoel. Het gaat om gemeenschapsgeld. Tegen mensen die liegen over hun medische toestand om zo een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een persoonsgebonden budget te kunnen opstrijken, moet worden opgetreden. Natuurlijk is het wrang als hulpverleners met een beroep op hun beroepsgeheim weigeren mee te werken aan de opsporing van deze strafbare feiten, en helemaal als aan die kant medeplichtigheid vermoed wordt. Uiteraard is het medisch beroepsgeheim niet bedoeld om strafbare gedragingen van artsen zelf te verdoezelen.

De geheimhoudingsplicht van artsen is zo oud als het medische beroep zelf. Over het doel van het medisch beroepsgeheim heeft nooit enige twijfel bestaan. Die plicht strekt tot onbelemmerde toegang tot medische hulp. Een patiënt die deze hulp zoekt, zal zijn arts slechts dan de informatie verstrekken die deze nodig heeft om te kunnen helpen, wanneer hij erop kan vertrouwen dat de verstrekte gegevens bij de laatste blijven. Ontbreekt dat vertrouwen, dan wordt de hulp wellicht gemeden. Een patiënt die op voorhand weet dat een arts gegevens met politie of justitie zal delen, heeft misschien redenen om diens bijstand niet te zoeken.

Hoewel de normen voor de omgang met dit geheim deel uitmaken van het diepste wezen van de beroepsmoraal van de arts, is het niet heilig. Het medisch beroepsgeheim is namelijk niet absoluut. Soms mag een arts spreken, en soms zelfs moet hij spreken. Er kunnen redenen zijn die doorbreking van de geheimhoudingsplicht rechtvaardigen. Nemen we die in ogenschouw, dan wordt iets duidelijk over de verhouding van het belang dat met het beroepsgeheim van artsen gediend wordt, tot andere belangen.

Zo mag een arts volgens de normen patiëntgegevens delen met derden wanneer hij daartoe van die patiënt toestemming gekregen heeft. Maar diezelfde normen gebieden ook dat hij die gegevensverstrekking achterwege laat wanneer hij vermoedt dat dit de toegang tot gezondheidszorg zal belemmeren. Zelfs wanneer zijn patiënt hem er uitdrukkelijk om verzoekt, is een arts niet gehouden om tot verstrekking van diens gegevens aan derden over te gaan.

Een arts kan zich ook geconfronteerd weten met dilemma’s. Wat te doen wanneer vasthouden aan het beroepsgeheim jegens de een ernstige gevolgen kan hebben voor een ander? Denk aan een huisarts die tot het besef gekomen is dat slechts met doorbreking van zijn geheimhoudingsplicht jegens een of beide ouders verdere mishandeling van hun kind voorkomen kan worden.

De normen bieden een uitweg in de vorm van een procedure en een meldpunt. Soms hebben de normen die voorzien in een spreekplicht zelfs een wettelijke basis. De huisarts die in zijn praktijk een geval van tuberculose tegenkomt, heeft de wettelijke plicht dat te melden aan de GGD.

Kortom, de redenen die zijn aanvaard als redenen die doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen, hangen samen met het belang dat door dit geheim zelf gediend wordt: de toegang tot gezondheidszorg oftewel het belang van gezondheid zelf. Grotere gezondheidsbelangen kunnen doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen, andere belangen niet.

Dat het medisch beroepsgeheim een belemmering kan zijn voor de behartiging van andere zwaarwegende maatschappelijke belangen is tot op heden steeds gebillijkt. Dat zoiets als opsporing en vervolging van strafbare feiten door het medische beroepsgeheim gefrustreerd kunnen worden, is tot nu toe beschouwd als een te betalen prijs. Het belang van onbelemmerde toegang tot gezondheidszorg voor eenieder heeft altijd zwaarder gewogen. Dat nu wordt voorgesteld omwille van financiële belangen de geheimhoudingsplicht van artsen te beperken, is dan ook werkelijk revolutionair.

Artsen tot spreken verplichten in geval van een vermoeden van sociale zekerheidsfraude is een verleidelijke maatregel. Het gevaar dat ermee bestreden wordt, lijkt onmiddellijk dreigend en kwantificeerbaar (tientallen miljoenen euro’s), terwijl het kwaad dat ermee wordt aangericht – de ondermijning van het vertrouwen in een beroepsgroep, het mijden van zorg, gezondheidsschade – iets abstracts heeft.

In werkelijkheid gaat het om een zeer reëel gevaar. En in werkelijkheid maakt het medisch beroepsgeheim de behartiging van andere belangen misschien bewerkelijk, maar zeker niet onmogelijk. De voorgestelde maatregel getuigt van gemakzucht. En eerlijk gezegd ook van weinig beschaving.