‘Die stem is een stukje van mijn hart’

Een geweldige expositie in Parijs laat het leven van de legendarische chansonnière Édith Piaf zien. Terwijl de audiotour haar liedjes speelt.

Édith Piaf, 1936 Foto Jean-Gabriel Seruzier/ Gamma-Rapho, BnF, Arts du spect

Strijdbaar, uit volle borst, zingt ze een revolutionair lied, terwijl ze het vergulde hek van Château Versailles vastgrijpt alsof ze van plan is er zodadelijk overheen te klimmen. Ze is de Franse Marianne ten voeten uit, met haar witte blouse met pofmouwen, haar rode rok en haar donkere krullen die opspringen onder het witte mutsje met de kokarde in Franse driekleur. In deze outfit kennen we Édith Piaf niet. Het is haar stem, rauw, vibrerend, met een ondertoon van hartstocht en verdriet, die we uit duizenden herkennen.

Deze beelden, uit de film van Sacha Guitry uit 1953 over het paleis van Versailles, zijn de blikvanger voor wie de expositie over de wereldberoemde Franse zangeres binnenkomt. Met de tentoonstelling viert de Bibliothèque nationale de France haar honderdste geboortedag. Foto’s, affiches, filmfragmenten, persoonlijke voorwerpen, lezersbrieven – het hele Piafarchief van de BnF is van stal gehaald, vrienden stonden persoonlijke documenten af. Zelden was de audiotour zo essentieel voor een tentoonstelling, vijftig van haar chansons zijn al kijkend te beluisteren.

De expositie is in vier delen ingedeeld: ‘de vrouw van het volk’, ‘een stem’, ‘verliefd’ en ‘een legende’. Het eerste deel laat zien hoe Édith Gassion, zoals haar echte familienaam luidt, opgroeide met een vader die acrobaat was en een moeder die ‘realistische liedjes’ zong. Haar grootvader was manusje-van-alles in een circus, haar tantes werkten aan de trapeze, grootmoeder had een vlooientheater. Van jongs af aan ging ze mee met haar vader, die op straat een kleed uitrolde om er zijn kunsten op te vertonen, terwijl zijn dochter, al jong een fenomeen, volksliedjes zong.

Al vroeg maakt Piaf zich los van haar familie, trekt op met straatmuzikanten, zingt volksliedjes in de populaire wijken van Parijs, totdat tekstschrijver Raymond Asso haar onder zijn hoede neemt en Piaf - musje - doopt. Hij haalt haar uit het dubieuze semicriminele milieu van Place Pigalle, maakt van het cabaretzangeresje een professional van de ‘music hall’, van het straatmeisje een vrouw van de wereld. Voor haar schrijft hij liedjes over gevallen vrouwen en jongemannen die het slechte pad opgaan, binnen een paar jaar is ‘la môme Piaf’ – het musje – een ster. Prachtig is het fragment uit de film Etoile sans lumière van Marcel Blistène uit 1945, waarin je Piaf in een opnamestudio met grote verbaasde ogen ziet luisteren naar een stem uit een enorme luidspreker. „Het lied ken ik wel,” zegt ze tegen de technicus, „maar van wie is die prachtige stem?” Ze kan nauwelijks geloven dat het de hare is. „Die stem is een stukje van mijn hart”, zegt ze.

Piafs beroemde zwarte jurkje, haar handelsmerk, is het pronkstuk van een grote ronde zaal waarin het licht is gedimd. In het midden, zo’n twee meter boven de grond, in een spotlight, draait de jurk in het rond. Het geeft een vreemd, luguber effect, alsof Piaf er zelf hangt. De zaal toont foto’s, beeld- en geluidsfragmenten, citaten, uitspraken van en over haar, bijvoorbeeld van de filosoof Roland Barthes die in een lezing over populaire chansons stelde dat „de muziek dankzij haar de ziel wordt van een harteloze wereld”. In dezelfde ruimte vind je ook het programma van Piafs optreden in het Kurhaus in Scheveningen. Van 31 juli tot 9 augustus trad ze er op met haar tweede man, Theo Sarapo, in een presentatie van Wim Ibo.

In weer een volgende zaal, ‘L’amoureuse’, passeren haar vele minaars de revue, van haar eerste echtgenoot Jacques Pills tot zanger en acteur Eddie Constantine, wielrenner Louis Gérardin en schilder Douglas Davis. Magnifiek is de filmopname van Piaf zingend naast een piepjonge Yves Montand die haar, vanachter het stuur, tegen een ongelofelijk kartonnen decor verliefde blikken toewerpt.

Voor een historische sensatie zorgen de bokshandschoenen van de bokslegende Marcel Cerdan, met wie Piaf een verhouding had toen hij op 27 oktober 1949 omkwam bij een vliegtuigongeluk. Hij nam het vliegtuig naar New York om zich bij Piaf te voegen, die, zo is in het collectieve geheugen blijven hangen, naar hem smachtte. Volgens Piafs biograaf Robert Belleret echter was het hoogtepunt van hun relatie al achter de rug en had Cerdan ervoor gekozen bij zijn vrouw en kinderen te blijven. Toch droeg de tragedie bij aan de legendarische faam van Piaf, de grote minnares. Haar chanson Hymne à l’amour, dat de wereld overging, droeg ze aan hem op.

Ook ‘la bande Piaf’, haar trouwe vriendenkring, brengt de tentoonstelling in beeld. Zoals Françoise Sagan, zoals Nina Simone, had ook Piaf een ‘grand besoin d’être entourée’, grote behoefte aan een kring van mensen die zonder voorbehoud van haar hielden. Cocteau behoorde ertoe en, iets meer op afstand, Marlene Dietrich. Met haar prachtige Amerikaanse accent horen we hoe ze haar Franse collega-vriendin karakteriseert: „Ze was een kind dat op een slecht pad was achtergelaten, een moedige vrouw met een gekwetste ziel, idealistisch en optimistisch, fragiel en krachtig tegelijk, een vrouw met eeuwig treurige ogen, die haar hart voor ons blootlegde.”