De staat kan geen perfect ouderschap eisen

Onlangs kwam de RSJ met een advies: de overheid moet sneller ingrijpen wanneer een zwangere vrouw rookt of drinkt. Maar dat is een onacceptabele vorm van vrijheidsbeperking, vinden Elselijn Kingma en Fiona Woollard.

ANP/Thinkstock, bewerking nrc.next

Niemand wordt blij van een rokende zwangere. Ieder kind dat verslaafd of met Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) geboren wordt, is een tragedie. Toch moeten we heel voorzichtig zijn met recent voorgestelde maatregelen om overheidsingrijpen – zoals onder toezicht stellen, verplichte opname of zelfs dwangbehandeling – mogelijk te maken.

Wij doen onderzoek naar de ethiek van de moeder-foetusrelatie. Dit is een ingewikkelde vraag omdat deze relatie uniek is. De foetus is namelijk niet separaat. Dit betekent dat onze normale morele en wettelijke analyse, die gebaseerd is op de interactie tussen fysiek separate individuen, niet direct kan worden toegepast.

Ten eerste omdat men normaliter anderen actief iets moet aandoen om schade te berokken: de moeder van een geboren kind, bijvoorbeeld, moet whisky in het babyflesje stoppen. De foetus van een drinkende moeder, daarentegen, ondervindt schade als bijverschijnsel van het eigengerichte gedrag van de moeder. Dit betekent dat de zwangere die rookt of drinkt niet anders is dan de niet-zwangere ouder die het familiebudget opdrinkt, zijn baan verliest door verslaving, of überhaupt afwezig is en niet (eens financieel!) bijdraagt aan de opvoeding van kinderen. Ook daarvan kan een kind grote schade ondervinden.

Zwangerschap is werk, zwaar werk

Zulke schade als ‘bijverschijnsel’ veroordelen we veel minder zwaar dan schade die direct en actief wordt toegebracht, zoals bijvoorbeeld bij mishandeling of geweld. Zwangere vrouwen die ‘risicogedrag’ vertonen zijn daarom niet te vergelijken met ouders die hun kinderen mishandelen of geweld aandoen; zij moeten vergeleken, en gelijkelijk behandeld en veroordeeld worden, met ouders die schade bij hun kinderen veroorzaken als bijverschijnsel.

Ten tweede gaan we in onze veroordeling van de zwangere veel te gemakkelijk voorbij aan wat iedere zwangere vrouw wel doet voor haar kind; met iedere ademhaling en iedere hartslag verzorgt, kweekt en beschermt zij haar ongeborene, ook als ze rookt. Ze doet het misschien niet perfect, maar ze doet het wel. Zwangerschap is werk, zwaar werk. Werk dat mensen terecht mogen weigeren als het zich aandient, en dat van velen nooit gevraagd zal worden. Wij denken dat, indien ouders hun ongeboren kind willen voldragen, hun ouderschapsverplichtingen jegens het geboren kind reeds voor diens geboorte beginnen. Maar de staat kan geen perfect ouderschap eisen, alleen een redelijke inspanning. Zwangeren doen noodzakelijkerwijs al heel veel voor hun (ongeboren) kinderen. En wat een redelijke inspanning precies betekent, is iets heel anders in een stabiele omgeving dan in de context van verslaving, huiselijk geweld, en een dreigende armoedegrens.

Ten derde kunnen we het gedrag van zwangere en niet-zwangere ouders slecht vergelijken omdat zwangere vrouwen veel beperkter zijn in hun handelingsmogelijkheden. De niet-zwangere ouder kan zich rustig een avondje buiten westen drinken – als de kinderen maar veilig zijn ondergebracht. De zwangere heeft die optie niet. Of ze rookt – negen maanden lang – niet, of de foetus rookt mee.

Dit alles betekent niet dat we risicovol gedrag van zwangere vrouwen niet mogen afkeuren. Maar het betekent wel dat we zorgvuldig moeten nadenken of we wel de juiste vergelijkingen maken. Die zorgvuldigheid lijkt nu afwezig. Neem roken. Over roken tijdens de zwangerschap wordt heel veel gesproken, over ouders die een kind tien jaar lang laten meeroken veel minder. Terwijl juist die laatste ouders ook buiten kunnen gaan roken; de zwangere niet.

Het is eindeloos triest als een pril leven al in de baarmoeder verpest wordt. Maar het is ook afschuwelijk dat een op de vier vrouwen in haar leven te maken heeft met huiselijk geweld, en dat 30 procent hiervan tijdens zwangerschap begint. Toch plaatst de staat nog steeds geen webcams in onze huizen, of chips in aanstaande vaders, om dit te voorkomen. Waarom? Omdat een rechtsstaat een afweging moeten maken tussen (1) het beschermen van individuen tegen elkaar, en (2) het beschermen van individuen tegen de staat.

Bij zwangere vrouwen zijn we veel te snel geneigd om dat laatste punt volstrekt uit het oog te verliezen. De fysieke eenheid van foetus en zwangere betekent dat ingrijpen op haar gedrag ten aanzien van de foetus meteen een verregaande inbreuk op haar persoonlijke vrijheid en levenssfeer is. Men kan een foetus niet gedwongen van de moeder scheiden zonder haar – letterlijk – open te snijden. En het tot in detail controleren van haar gedrag – laat staan gedwongen behandeling of vrijheidsberoving – is een te verregaand gebruik van het geweldsmonopolie van de staat. Het RSJ-advies is daar wederom een voorbeeld van.

Grens bij dreiging en dwang

Wat we moeten doen is risicozwangeren alle steun geven om vrijwillig betere keuzes te maken. Maar wij trekken waar het wilsbekwame zwangeren betreft een absolute grens bij vrijheidsberoving, gedwongen behandeling, dreiging en dwang. Het RSJ-advies zal ongetwijfeld alleen bedoeld zijn voor de ‘heel extreme gevallen’. Maar omdat de morele analyse van de moeder-foetusrelatie zo moeilijk is, en omdat we geneigd zijn zwangere vrouwen veel te snel en veel te hard te veroordelen, is het zeer onwaarschijnlijk dat het daarbij blijft. Zoals uit de maatschappelijke discussie al blijkt worden de rechten en persoonlijke vrijheden van veel te veel zwangere vrouwen door dit voorstel bedreigd.