Column

Kokhalzen van instantnoodlesoep. Ook dat is thuiswerken

Pieter van Os werkt als zzp’er in Warschau. Deze zomer doet hij wekelijks verslag van het thuiswerken.

Nooit meer laffe boterhammen uit een bedrijfskantine of te dure, taaie ciabatta’s. Als thuiswerker, voorzag ik, kon ik ongegeneerd mijn eigen favoriete goedkope troep eten. Niemand zou me moeilijke vragen stellen over smaak, gezondheid, of ingrediënten.

Kortom, ik slobberde wekenlang dagelijks een kommetje Aziatische, instantnoodlesoep weg.

Het was te voorspellen geweest, maar ik was er toch door verrast: die soepjes, van rond een euro per stuk, smaakten al snel niet meer. Sterker, als ik nu zo’n zakje of kartonnen doosje zie vervullen ze me met walging. Ik overdrijf niet: ik voel direct een lichte buikpijn opkomen.

Zonder een kenner te raadplegen wijt ik dat aan de hoeveelheid zout in het poedertje. Je weet wel, dat spul dat je bij het warme water voegt, en de slap geworden pasta.

Behalve zout zit daar gedroogde groente in. Of soms zelfs een onzichtbare garnaal, zoals in de Koh Thai Royal Shrimp. Onlangs nog, in een van mijn laatste kommetjes goedkope pastasmurrie, dreven een paar garnalen, terwijl ik zeker wist dat die niet in het zakje hadden gezeten. Kennelijk waren minuscule gedroogde garnalen opgezwollen tot normale grootte na het opzuigen van het warme water. Best ranzig, vind ik.

In mijn buurt woont een leeftijdgenoot die bij Unilever werkt. Hij lachte me uit toen ik hem vertelde van mijn snel verloren liefde voor noodlesoepjes. „Wat je eigenlijk zou moeten doen”, zei hij, „is ingevroren spul kopen”.

Ingevroren eten heeft een slechte naam, gaf hij direct toe. Maar „het was vers toen we het invroren en we hebben er nauwelijks iets mee gedaan, dus als je het ontdooit heb je gewoon fatsoenlijk voedsel”.

Voor deze Unileverman was fatsoenlijk voedsel, dat werd me snel duidelijk, eten dat zo ongeschonden mogelijk door zijn eigen industrie was gekomen.

Een Poolse vriend reageerde ernstiger op mijn noodlesoepverhaal. Hij meende dat ik van geluk mocht spreken. Mijn walging, beweerde hij, toonde „een aristocratische reflex”.

Ja, niet minder.

Veel Polen lijken geobsedeerd door de vraag wat ‘aristocratisch’ dan wel ‘proletarisch’ is, een beetje zoals Nederlanders in Duindorpen eindeloos praten over nieuw en oud geld. Daar hebben Polen weer geen last van, want daar bestaat geen oud geld – toen de Muur viel, had niemand meer iets.

Wat bedoelde die Poolse vriend nu met een ‘aristocratische reflex’? Dat ik kokhalsde, kennelijk. Hij vertelde me het verhaal van een Britse arbeider. Als de man vrij was, keek hij tv en dronk hij bier en at hij Croky chips. Op een dag won hij de loterij, miljoenen ponden. Het stelde hem in staat nooit meer een stap in de fabriek te zetten en zijn leven voortaan te wijden aan zijn hobby. Na vier maanden overleed hij aan een hartaanval. Volgens de patholoog-anatoom was hij nauwelijks meer nuchter geweest. Het huis lag bezaaid met zakken Croky Chips. Mijn Poolse vriend: „Geen aristocratische reflex.” En hij gaf een vrij lange levensles die neerkwam op het Hollandse gezegde: „Te is nooit goed.” Vanuit daar kwam hij op de teloorgang van het communisme, maar dat was niet erg aan mij besteed.

Ach, misschien was ik ook gewoon afgeleid. Ik een aristocratische reflex… Dat leek me te veel eer. Misschien is een dieet van bier en chips gewoon langer vol te houden dan Aziatische noodlesoepjes. Bovendien: wie echt heeft uitgezien naar dagen ongebreideld Koh Thai Royal Shrimp (minder dan een euro) en Nissin Cup Noodles Kerry (iets meer dan een euro), mag zich geen aristocratische inborst laten aanpraten, of hij de rotzooi na verloop van tijd en inname nu uitbraakt of niet.