Na de lunch is het spitsuur: iedereen wil aan de qat

Iedereen in Djibouti doet het: qat kauwen. De drug dicteert het sociale en openbare leven in het Afrikaanse land. Alleen al het vinden van de beste qat is een heel ritueel.

Het kauwen van qat is een sociale bezigheid. Manager Abdelkarim ligt bij vrienden op een stapel kussens. Foto Toon Beemsterboer

Djibouti draait om qat. Het is het levenselixer voor een volk dat gebukt gaat onder armoede, werkloosheid en een moordende hitte die het dagelijks leven volledig lamlegt. Dus zoeken veel mensen een uitvlucht in een alerte vorm van lethargie.

Het dagelijks leven in Djibouti staat volledig in het teken van qat, een plant die na lang kauwen een milde oppeppende werking heeft. De meeste mensen werken van zeven uur ’s ochtends tot twaalf uur ’s middags. Later op de dag zijn de straten uitgestorven, de winkels dicht en ministeries en kantoren gesloten.

„Net na de lunch is het spitsuur in Djibouti”, zegt Abdelkarim, manager van een importbedrijf in de haven. „Iedereen wil zo snel mogelijk een paar bosjes scoren en naar huis.” In elke straat staan wel een paar schots en scheef in elkaar timmerde kraampjes waar vrouwen de plant verkopen. Sommigen zijn beschilderd met twijgjes en groene blaadjes. ‘Chez Bileh, bonne qualité’, prijzen ze hun waar aan.

Het gebruik van qat is een eeuwenoude traditie in de Hoorn van Afrika. Maar in Djibouti heeft het een extreme vlucht genomen.

De handel in qat is een van de weinige dingen die uitstekend geregeld zijn in Djibouti. De blaadjes moeten zo vers mogelijk worden gekauwd, want het sap geeft de rush. Maar de plant kan met geen mogelijkheid groeien in de rotswoestijn van Djibouti. Dus wordt er dagelijks zo’n 11 ton van het spul geïmporteerd uit Ethiopië, met vliegtuigen en vrachtwagens, onder escorte van de nationale politie.

Want qat is politiek in Djibouti. Vlak na de onafhankelijkheid in 1977 probeerde president Hassan Gouled Aptidon de drug te verbieden. Maar nadat er hevige rellen waren uitgebroken, die bijna een einde maakten aan zijn regime, veranderde hij snel van gedachten. Tot halverwege de jaren negentig bezat de vrouw van de president het monopolie op de handel in qat. Maar onder druk van de Ethiopië werd de markt geliberaliseerd.

„Vroeger waren het vooral de mannen die qat kauwden”, zegt Stanislas, een 60-jarige man die voor een hulporganisatie werkt. „Maar vrouwen doen tegenwoordig net zo hard mee. Ze leren het van hun vriendjes.” Zelf kauwt hij maar één dag per week, op donderdag als hij vrij is. „Maar de meeste jongeren kauwen elke dag. Ze stoppen om een uur of zeven en gaan daarna drinken in de stad.”

Alleen al het vinden van de beste qat is een ritueel op zich. De prijs en kwaliteit lopen sterk uiteen. De goedkoopste bosjes kosten 3 euro, maar de prijs voor goed spul kan oplopen tot 30 euro per bos. Het gemiddelde maandinkomen ligt volgens cijfers van de Wereldbank op 160 euro per maand.

Verkopers bewaren hun waar onder natte doeken, zodat de blaadjes mals blijven in de ziedende hitte. Djiboutianen zijn enorm kieskeurig. Ze laten hun vingers routineus door de twijgjes gaan, op zoek naar de jongste, sappigste blaadjes.

Manager Abdelkarim manoeuvreert zijn auto agressief door het drukke verkeer om zo snel mogelijk thuis te zijn. Het kauwen van qat is een sociale bezigheid. Abdelkarim zoekt zijn vrienden op en maakt het zich gemakkelijk. Hij installeert zich op een stapel kussens, water en frisdrank binnen handbereik om de bittere smaak van de blaadjes mee weg te spoelen. Het middel maakt de tong los en veroorzaakt milde tintelingen op je armen en hoofd. En het heeft een desastreus effect op je gebit: veel mensen hebben bruine vlekken op hun tanden van het vele kauwen.

„Qat is slecht voor Djibouti”, meent Ayanle, een werkloze vriend van Abdelkarim. „Mensen geven er handenvol geld aan uit en liggen de halve dag op apegapen. Ze maken niks van hun leven. Maar wat moet je anders doen ’s middags? Het is kauwen of slapen.”