Vreemde aan de deur

In de Emmastraat in Velp was een oude vrouw beroofd. Er had een man in paniek bij haar aangebeld die waarschuwde voor een gaslek. De vrouw diende haar woning direct te verlaten, maar niet nadat ze haar kostbaarheden in een tas had gedaan die de dader voor haar had meegenomen.

Het was het zoveelste incident in het dorp met het hoogste percentage ouderen van Nederland, reden voor vrijwilligers om met een multomap vol waarschuwingen langs de deuren te gaan.

Ik trof mijn moeder aan de koffie met meneer Van Vliet, een kalende vijftiger die, zodra ik door de achterdeur naar binnen stapte, meteen omhoog vloog om zichzelf met een paspoort te legitimeren.

Ik vond het komisch: iemand die aanbelt bij vreemden om te waarschuwen voor vreemden die aanbellen omdat die, dat was schijnbaar bewezen, ‘nooit goede bedoelingen hebben’.

„Nooit binnenlaten”, zei Van Vliet.

„Al zeggen ze dat ze van de politie zijn. Sta ze te woord met de deur op een kier, ketting erop. Dat is niet onaardig. Het is 2015, een vreemde aan de deur is geen zuivere koffie.”

Er volgde een serie voorbeelden van babbeltrucs die in Velp op bejaarden waren losgelaten en die waren terug te lezen op het voor mijn moeder onbekende Facebook.

Het ging van meteropnemers, tot zwangere vrouwen die om een glaasje water vroegen, tot iemand die zich kwam voorstellen als ‘de nieuwe buurvrouw’.

Er waren er zelfs, aan zijn gezicht was te zien dat Van Vliet dit soort oplichters de allerergste vond, die deden alsof ze van de politie of de gemeente waren.

„Of mensen die doen alsof ze mensen komen waarschuwen”, zei ik.

Het was een grapje, maar Van Vliet was het type man voor wie ieder geintje een seintje was.

Hij concludeerde dat ‘de zoon de boodschap had begrepen’.

„Maar meneer”, zei mijn moeder naar waarheid, „ik was juist altijd zo blij als de bel ging. Wat als ze al aan de koffie zitten?”

„Gaat u ze in geen geval te lijf”, adviseerde Van Vliet. „Probeert u ze met een smoes weg te krijgen. Zeg bijvoorbeeld dat u ieder moment uw zoon verwacht.”

Dit gezegd hebbende stond hij op.

Hij klopte de koekkruimels van zijn colbert, pakte zijn rode multomap en liep naar de voordeur die een pluimpje kreeg vanwege het aantal sloten.

Hij nam afscheid met de woorden: „Als ik nog een keer aanbel hoop ik dat u me niet binnenlaat.”

Daar kon hij op rekenen.