Het Franse wantrouwen tegenover de markt zit diep

Acteur Vincent Lindon heeft een enorm vermogen om personages te spelen waarvan je onmiddellijk aanneemt dat ze ook werkelijk bestaan. Of zouden kunnen bestaan. Dat talent is onder acteurs schaarsers dan je zou denken. Lindon is een acteur die écht verdwijnt in zijn rol, die nooit extra zal uithalen voor effect. Hij doet zijn werk juist door de kijker te laten vergeten dat hij naar een acteur kijkt. Lindon belichaamt zo het tegendeel van de opzichtige virtuoos, die meestal in de filmprijzen valt. Juist daarin bestaat zijn virtuositeit. Hulde dat de jury van het filmfestival van Cannes – onder leiding van Joel en Ethan Coen – aan een acteur met zo’n onijdele stijl de hoogste onderscheiding voor een acteur gaf dit jaar.

In La loi du marché, de derde film die Lindon maakt met regisseur Stéphane Brizé, speelt hij Thierry, een man die zijn baan is kwijtgeraakt, in de bureaucratie van de Franse verzorgingsstaat verdwaalt, en zijn hoofd boven water moet houden als beveiliger in een supermarkt. Daar moet hij vooral collega’s in de gaten houden, want het management zint op manieren om van boventallig personeel af te komen. Elk klein vergrijp is een goed excuus om een werknemer te kunnen lozen. Thierry is een gesloten, weinig welbespraakte man, die zijn waardigheid bewaakt zonder grote woorden.

Wie overigens iets meer wil begrijpen van de Franse onwil om de Grieken over te leveren aan de kille wetten van de markt, tijdens de politieke crisis in Europa van de afgelopen weken, doet er goed aan deze film eens te bekijken. Veel Fransen hebben enorme bedenkingen bij de wetten van dat kapitaal, al zijn ze ook in hun land dominant. Dat blijkt niet alleen uit La loi du marché zelf, maar ook uit het feit dat meer dan 800.000 Fransen gingen kijken naar dit kleine, ingetogen drama.