Armlastige partij zoekt geld en nieuwe leden

Steeds minder leden, steeds minder inkomsten. Politieke partijen hebben een probleem. En het eind ervan is niet in zicht.

Alleen D66 en de SGP kregen er vorig jaar netto leden bij

Een boot op de Gay Parade in Amsterdam, PvdA-vrijwilligers die stranden schoonmaken en een kraam op de Libelle Zomerweek. De actievelingen van de Partij van de Arbeid deden nog zó hun best vorig jaar, maar per saldo verloor de partij toch leden.

De partij kreeg er 2.500 leden bij, maar ondertussen besloten ruim 5.500 mensen hun lidmaatschap op te zeggen. Zo daalde het aantal leden van de PvdA voor het eerst onder de 50.000.

Die daling heeft financiële gevolgen: vorig jaar kwam er bijna 215.000 euro minder contributie binnen dan de coalitiepartij had begroot. Door het verlies bij de gemeenteraadsverkiezingen kreeg de PvdA bovendien ruim 161.000 euro minder binnen aan afdracht van raadsleden. En de hoogte van giften van leden viel ook al tegen, ruim 144.000 euro lager dan gehoopt.

Bij de PvdA zat vorig jaar zo ongeveer álles tegen – maar een daling van het ledenaantal is niet exclusief haar probleem. Afgelopen week stuurden de meeste politieke partijen hun jaarverslagen naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. Uit de meeste daarvan blijkt: tegenvallende inkomsten uit contributies en afnemende ledenaantallen.

Hadden de partijen in de Tweede Kamer in de jaren vijftig gezamenlijk nog ruim boven de 700.000 leden, op 1 januari van dit jaar waren dat er nog maar 295.326. Op bijna 12,5 miljoen Nederlanders die mogen stemmen is dat, in vakbondstermen, een organisatiegraad van 2,36 procent.

Partijen zoeken andere manieren om geld binnen te halen. Ze komen bijvoorbeeld met varianten van lidmaatschappen. Bij D66 bijvoorbeeld kun je iemand een lidmaatschap cadeau doen: dat kost 15 euro voor een half jaar. Veel minder dan de gemiddelde contributieopbrengst – wat leden betalen is inkomensafhankelijk – want die is 91,50 per jaar.

De PvdA biedt een ‘instapkorting’: het eerste jaar kun je vanaf 1 euro per maand lid worden, vanaf het tweede jaar is de ondergrens 2 euro per maand. En de ChristenUnie haalt met een tussenvorm van het lidmaatschap geld op. Sympathisanten kunnen ‘vriend’ van de partij worden. Op de website kun je aanklikken hoeveel je wilt doneren: 2 euro per maand, 6 euro per kwartaal of 24 euro per jaar. De bijna 1.200 vrienden van de ChristenUnie brachten vorig jaar samen 23.791 euro op.

Interne democratisering zou partijen ook aantrekkelijker maken om lid te worden. Na de moord op Pim Fortuyn in 2002 voerden de meeste partijen daarom directe zeggenschap van de leden op hun congressen in. Alleen SGP en SP hanteren nog een model met indirecte zeggenschap – en dan is er nog de PVV van Geert Wilders, die helemaal geen leden heeft.

Onderzoeker Paul Lucardie heeft zijn twijfels of die democratisering leden trekt. „Stap één is volgens mij dat mensen überhaupt besluiten lid te worden. Als ze dat zijn, zien ze wel hoeveel ze te zeggen hebben.”

Subsidie

De lagere inkomsten door tegenvallende contributie hebben als gevolg dat de subsidie van Binnenlandse Zaken een groter deel uitmaakt van de inkomsten van politieke partijen. Maakt dat uit voor hun functioneren? Worden het daarmee ‘staatspartijen’, zonder kritische blik op de overheid?

Die zorg bestaat, bevestigt onderzoeker Paul Lucardie van het Documentatiecentrum Politieke Partijen, maar hoe dat precies gebeurt, is lastig concreet te maken. Hij ziet bijvoorbeeld dat de verkiezingsprogramma’s de laatste jaren technischer zijn geworden. „Bij elke partij schrijft een heel specialistisch clubje die programma’s. Er staan allerlei technische punten in die soms al bijna een wetsvoorstel op zich vormen. Ze zijn minder op burgers en meer op beleid gericht.”

Veertig jaar geleden waren verkiezingsprogramma’s een paar A4’tjes lang, nu zijn het complete boekwerken. Neem de PvdA: in 1971 schetste ze haar ideale samenleving in zestien kantjes. In 2012 waren dat er zeventig. Zelfs flankpartijen doen mee aan de vertechnisering, zegt Lucardie. In 2012 had ook de SP een nauwkeurig uitgewerkt verkiezingsprogramma, dat haast geschreven leek voor komende formatieonderhandelingen.

Ondergrens

Tegelijk met de pogingen meer leden te trekken én die meer te betrekken, is er een tegengestelde beweging. Die schetste politicoloog Gerrit Voerman al in zijn oratie een paar jaar geleden: de ‘Haagse’ fracties en de partijleider worden dominanter tegenover de rest van de partij. „Door de continue en vaak kritische berichtgeving zijn politici gedwongen snel te reageren, wat een grote bewegingsvrijheid ten opzichte van de partij vereist”, aldus Voerman. Partijen zien af van intern debat, „uit angst dat de media eventuele onenigheid breed uitmeten”. Die „fractiedominantie” is nauwelijks te stuiten, zag hij, en de vrijwilligers uit de partijbesturen kunnen vaak nauwelijks weerwoord bieden.

De laatste jaren vlakt de daling van het aantal leden van politieke partijen af. Maar van een kentering is geen sprake. Zou er een natuurlijke ondergrens bestaan? Als er al een minimum hoger dan nul is, is dat in Nederland nog niet bereikt, denkt Lucardie. „Nederland heeft in vergelijking met andere West-Europese landen een lage organisatiegraad, maar in vergelijking met Oost-Europa een hoge. Niet dat ik het een goede zaak zou vinden, maar er kan nog best wat af.”