President en gevangene

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘There but for the grace of God, go I”, riep volgens de overlevering John Bradford, een zestiende-eeuwse Engelse predikant, toen hij een groep misdadigers zag op weg naar hun executie. De opmerking getuigt van grote nederigheid. Het zegt in zoveel woorden: Ik had daar ook kunnen lopen. Ik heb dezelfde zonden in mijn hart.

President Barack Obama gebruikte deze uitdrukking vorige week in de El Reno-gevangenis in Oklahoma. Het was de eerste keer in de geschiedenis dat een Amerkaanse president een federale gevangenis bezocht. Het is een krachtig beeld: de foto van Obama in de lange lege gang tussen de cellenblokken, in hemdsmouwen, licht voorovergebogen, verzonken in gedachten. Gods genade als dunne lijn tussen president en prisoner.

Obama is altijd eerlijk geweest over zijn drugsgebruik in zijn jeugd. Over de gevangenen die hij sprak, allen gearresteerd voor drugsbezit, zei hij: „Zoals zij hun jeugd beschrijven, zijn het jonge mensen die fouten hebben gemaakt, niet anders dan de fouten die ik of jullie allemaal hebben gemaakt.”

De straffen voor drugsgebruik zijn in Amerika lang en genadeloos. De cijfers spreken boekdelen: in Amerika woont 5 procent van de wereldbevolking, maar 25 procent van de gevangenen. Sinds 1970 is dit aantal verachtvoudigd. Bijna 1 op de 100 Amerikanen zit in de gevangenis. Waarom zoveel? Zijn Amerikanen roekelozer, slechter, eerder geneigd tot het kwaad? Nee natuurlijk. Ze hebben gewoon wetten die minder door de vingers zien.

Op dezelfde dag dat Obama cel nummer 123 in liep, een ruimte van drie bij drie meter die gewoonlijk door drie gevangenen gedeeld moet worden, las ik het bericht dat 40 procent van alle twintigers in Nederland weleens cannabis heeft gebruikt. In Amerika zouden die allemaal in de gevangenis terecht kunnen komen.

Wat maakt het verschil tussen een president en een gevangene? Obama noemde de tweede kans die je in staat stelt de fout die je hebt gemaakt te boven te komen. Een treffend voorbeeld hoor ik diezelfde dag op de radio. Ik moet mijn auto langs de weg parkeren, zo zeer ontroert het verhaal mij.

Oshea Israel was zestien toen hij tijdens een ruzie een leeftijdgenoot doodde. Hij ging de gevangenis in voor moord. Twaalf jaar later bezocht de moeder van de vermoorde jongen, Mary Johnson-Roy, de man die haar zoveel pijn had gedaan, die ze al die tijd gehaat had. Maar tijdens het gesprek veranderde hij voor haar in een mens. Bij het afscheid omhelsde Mary tot haar verbazing de moordenaar van haar zoon. „Onmiddellijk wist ik dat alle boosheid en vijandigheid, alles wat ik twaalf jaar lang voor hem voelde, was verdwenen. Het was over, ik had hem volledig vergeven.”

Inmiddels is Oshea een man van 38. Hij en Mary wonen nu naast elkaar. Zij houdt een oogje in het zeil. Hij vindt het fijn dat ze dat doet, maar worstelt nog met haar vergiffenis.

„Soms kan ik het niet goed plaatsen”, zegt Oshea, „want ik heb mezelf nog niet helemaal vergeven.”

„Mijn eigen zoon is er niet meer. Ik zag hem niet afstuderen”, zegt Mary, „maar Oshea gaat nu studeren. En op een dag hoop ik op zijn bruiloft te kunnen zijn.”

Maar eerst was er de bruiloft van Mary zelf. Die dag was het niet haar eigen zoon die haar naar het altaar begeleidde. Het was zijn moordenaar, die ze nu haar zoon noemt.

Met tranen in mijn ogen start ik de auto weer. De ultieme tweede kans. Door de genade van een moeder.