‘In Nederland mag het nooit te uitbundig’

Vier eeuwen Nederlands klaviermuziek verzamelde Jacob Bogaart in een cd-box.

Pianist Jacob Bogaart had in de loop van zijn leven makkelijk een sportauto bij elkaar kunnen sparen. In plaats daarvan stak hij veel geld in de eind mei verschenen cd-box The Art of Dutch Keyboard Music: acht cd’s met Nederlandse klaviermuziek, een genre dat bijna synoniem is aan ‘onbekend repertoire’. Het leeuwendeel van de muziek verscheen niet eerder op plaat of cd.

Bogaarts levenswerk begon per ongeluk, toen producent Sieuwert Verster hem in 1980 vroeg of hij Nederlandse composities kende voor bij een tentoonstelling over kunst rond 1900. Het leidde tot een eerste opname voor de NOS. „Ik wist niets van die muziek”, bekent Bogaart. „Maar na het instuderen van werk van Bosmans, Schäfer en Brandts Buys werd ik nieuwsgieriger.” Het project groeide, de NCRV bracht in de jaren negentig registraties uit.

Toen pianopedagoog Jan Wijn een jaar of tien later dat materiaal terugvond op zijn zolder, spoorde hij Bogaart aan er meer mee te doen. In 2008 pakte die de draad weer op. „Ik besloot om die opnames zelfstandig aan te vullen, om zo een intuïtief – zij het geen musicologisch verantwoord – beeld te schetsen van de Nederlandse klaviermuziek tussen 1600 en 2000. Al blijft die oogst in alle eerlijkheid dun. Van stapels fotokopieën die ik van het Gemeentemuseum Den Haag mee naar huis nam, bleef maar een paar centimeter aan bruikbare partituren over.”

Daarmee beaamt Bogaart dat de karige erkenning voor muziek van eigen bodem in dit geval niet alleen een kwestie is van kinnesinne in een te klein land, zoals Bas van Putten het in het cd-boek fraai verwoordt („Geen man kan groot zijn, het is de buurman maar”). Bogaart: „Het relatief lage niveau van de Nederlandse partituren komt door een combinatie van factoren. De mentaliteit was lange tijd: het mag niet te uitbundig. Het beruchte zwarte gat van bijna drie eeuwen tussen Sweelinck en Diepenbrock ligt mede aan een gebrek aan grote hoven met een muziekkapel en een te weinig muzikaal ingestelde clerus. En de burgerij trok de muziek de huiskamer in: veel salon- en gelegenheidswerk dus.

„Maar met Diepenbrock begint een nieuwe lente. De Nederlandse muziek van begin twintigste eeuw is zo rijk! Daar zijn we lang niet trots genoeg op. Diepenbrock, Pijper, Badings, Hendrik Andriessen en Orthel schreven prachtige stukken. De oprichting van een eerste conservatorium en het Concertgebouw zullen ook hebben bijgedragen. Na 1945 is de muziek nog steeds goed, maar heeft die geen centrale plek meer in het wereldgebeuren.”

Drie parels kiezen uit de acht cd’s van The Art of Dutch Keyboard Music vindt Bogaart natuurlijk lastig. Maar vooruit: „De Sarabande van Gisbert Steenwick getuigt in de zeventiende eeuw van de Nederlandse behoefte om mee te willen doen: die trage dansvorm was net uit Mexico naar Spanje geïmporteerd, en was de nieuwste mode . En de Chaconne uit 1942 van Bernard Wagenaar is zeer fraai, geen wonder dat zelfs de legendarische Toscanini zijn orkestmuziek dirigeerde. Maar wie heeft daarna ooit van hem gehoord?”

De Sonatina (1941) van Ary Verhaar vindt Bogaart een werk van wereldformaat. „Na een minimalistisch middendeel volgt een finale, die is zo levenslustig dat het qua ritmiek de Afrocultuur verklankt. Hier is niets westers-klassieks meer aan. In de jaren negentig kreeg ik een briefje van Verhaar. Hij hoorde dankzij mijn opname voor het eerst in een halve eeuw weer zijn eigen sonatine, en schreef: ‘zeer goed gedaan, hartelijk dank.’”