Column

Het loopt goed af

‘Ik lees nooit literatuur. Alleen kinderboeken”, zegt Janniek. We zitten na de les in het café om de hoek. „Als ik ziek ben, mag ik alle Cissy van Marxveldts weer lezen.” Ze willen het wel schrijven, literatuur, maar niet te vaak lezen. „Goed hoor, echt heel goed”, klinkt het vaak als ik ze een Belangrijke Roman heb laten lezen en dan kijken ze erbij als een huisarts na een geslaagde euthanasie.

Literatuur is te somber. Het gaat altijd over tobberige mannen die na een reeks deprimerende omzwervingen tot de conclusie komen dat ze nog minder voorstellen dan ze al dachten.

„Een schrijver moet schrijven wat zijn lezers niet eens durven drómen”, citeer ik W.F. Hermans.

Dat weten ze allang. Daarom heeft Janniek maanden gewerkt aan een verhaal over een eenzame man die achter smoezelige vitrages zit te masturberen terwijl hij kijkt hoe zijn overbuurvrouw haar poedel trimt.

Ze vrolijkt weer op als ze de plot van Een zomer op Heidehoeve navertelt, een boek van Fenna Feenstra uit 1941. Han van Wheel, een pas afgestudeerd ingenieur, wordt door de crisis gedwongen een baantje als privéchauffeur aan te nemen. De dochter van zijn werkgever heeft een waardeloze verloofde die slechts pretjes najaagt en zich door onze Han ’s avonds laat bij verdachte percelen in de stad laat afzetten.

„Als dit boek vijf sterren in de krant had gekregen, had ik het niet gelezen”, zegt Janniek, „want dan zouden ze elkaar natuurlijk weer niet krijgen aan het eind. Bij literatuur moet altijd alles slecht aflopen.”

„Kunst moet ons wakker schudden, verontrusten en op het andere been zetten”, zegt Gert. „En dat gebeurt niet als het goed afloopt. Want in het leven loopt het meestal ook niet goed af. Dus dan zijn we alvast gewaarschuwd.”

„Ik begon op mijn dertiende aan de literatuur”, zegt Janniek. „Als je uitgaat van tien boeken per jaar, dan ben ik zowat 400 keer wakker geschud, verontrust en op mijn andere been gezet. Dat weet ik nou wel. Nu wil ik een boek lezen over zo iemand als Han van Wheel. Een nette jongen die het goed bedoelt.”

„Volgens Nabokov is de basis van literatuur het irrationele geloof in de goedheid van de mens”, zeg ik. „En met een klap sloeg Irmgard de deur dicht.” Dit laatste citaat begrijpt niemand, maar ik moet er toch erg om lachen, want ik zit ook al aan mijn derde glas.

„Ik wil niks ingeprent krijgen”, vervolgt Janniek. „Niet dat we goed zijn en niet dat we slecht zijn.”

„We kunnen het ook zo doen”, zeg ik, „dat we tot ons vijftiende over goede mensen lezen met wie het goed afloopt, zoals Dolf uit Kruistocht in Spijkerbroek, Stach uit Koning van Katoren en jouw Han van Wheel. Vervolgens vijftien jaar over sombere mensen met wie het slecht afloopt. En na ons dertigste mogen we kiezen.”

Mijn collega Edward draait zich naar ons om. „Dat worden dan detectives, kinderboeken en non-fictie”, zegt hij. „En niemand leest ons nog.”

„Dan moet je ’t maar beter laten aflopen”, zegt Janniek.

„Dat heb ik één keer gedaan”, zegt hij. „Toen kregen ze elkaar aan het eind. Het boek werd gekráákt. Als het al besproken werd. En mijn beurs werd gehalveerd. Nee, dat doe ik nooit meer.”