Europa in 1992: geen echt debat alsjeblieft

‘Europa staat op een tweesprong’, las ik zaterdag in deze krant. Dat is niets nieuws, want Europa staat sinds de jaren veertig permanent op een tweesprong: men moet kiezen tussen wel of geen verdere integratie, waarbij het tweede telkens geen optie blijkt.

Wie iets leuks wil lezen tijdens de vakantie raad ik de notulen aan van het Kamerdebat over het Verdrag van Maastricht in 1992. Dit verdrag, waarin werd besloten tot oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU), stamt uit februari 1992. In november debatteerde de Tweede Kamer erover in maar liefst vier sessies. Alleen de kleine christelijke partijen (RPF, GPV en SGP) en GroenLinks waren tegen, en de kritiek die zij uitten is nog steeds actueel.

De tegenstanders vreesden een te grote soevereiniteitsoverdracht, een gebrek aan democratische legitimatie en grote spanningen binnen de eurozone. Lees bijvoorbeeld de bijdrage van de RPF: „Toetreding van zwakke staten tot de EMU kan spanningen in deze landen veroorzaken die het beeld van een verenigd Europa ernstig kunnen aantasten.” Daarnaast maakten de tegenstanders zich zorgen over het tempo van de hervormingen: waarom moest dit onomkeerbare proces zo snel in gang worden gezet?

Maar al deze punten werden weggewuifd door de voorstanders. Ja, democratische legitimiteit en soevereiniteitsbehoud vonden zij heus ook belangrijk, maar wie nu niet instemde was tegen de vooruitgang, de vrede, et cetera.

CDA-Kamerlid René van der Linden vond het „van politiek-psychologische betekenis om vaart in de samenwerking te brengen”: anders zou de integratie „verbrokkelen”. Premier Lubbers verwees naar de bloedige geschiedenis van Europa en waarschuwde dat „wij per definitie forse risico’s aanvaarden en forse achterstanden zullen oplopen, als het weer ieder voor zich wordt”. Stilstand in een eenwordingsproces betekent achteruitgang, voegde hij daaraan toe. Coalitiepartner PvdA redeneerde op hetzelfde spoor: stagnatie van de Europese samenwerking zou „in het huidige tijdsgewricht politiek hoogst ongewenst zijn”.

Het is een bekende tactiek van wie een verandering wil doordrukken: erken de zorgen van je tegenstander, maar benadruk a) de onvermijdelijkheid van de verandering, en b) de verschrikkelijke gevolgen van het alternatief.

Helaas wordt een echt debat hiermee onmogelijk gemaakt. Pijnlijk om te lezen is ook dat de voorstanders nauwelijks een idee formuleerden van waar Europa heen zou gaan. Minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek zei simpelweg: „wij kennen het eindpunt en de eindfase van dit proces nu nog niet.” Lubbers bracht het nog mooier: „Men kan legitiem discussiëren over de vraag: wat nu na Maastricht? Ik heb er niet zoveel behoefte aan, daarop dieper in te gaan, omdat het mij belangrijker lijkt, instemming voor het Verdrag van Maastricht te verkrijgen.”

Men sloeg dus een weg in uit angst voor iets ergers, maar waarheen die weg leidde was niet duidelijk. De gelijkenis met vandaag, 23 jaar na dit debat, is opvallend.