Een alternatief voor de nieuwe toetsterreur

In het basis- en voortgezet onderwijs daalde het aantal leerlingen de laatste jaren met 3 procent. Het vrijeschoolonderwijs groeit juist.

Rudolf Steiner, de vader van de antroposofie, was erbij in 1923 toen de eerste vrijeschool in Nederland werd opgericht, in Den Haag. Twee jaar later was hij dood, maar de vrijeschool (zo schrijven ze het zelf), bloeit negentig jaar later als nooit tevoren. Na een opleving in de jaren 70 en 80 is het gedachtegoed van Rudolf Steiner de laatste drie jaar een magneet voor ouders die andere dingen dan rekenen, taal en hoge Cito-scores net zo belangrijk of misschien wel belangrijker vinden.

Waar het aantal leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs de laatste jaren met 3 procent is gedaald, groeit het vrijeschoolonderwijs, met 3,9 procent in het basis- en 8,2 procent in het voortgezet onderwijs. Na de zomer openen twee vrijescholen in Rotterdam (basisonderwijs) en een middelbare school in Delft. In Haarlem zijn ouders bezig een nieuwe vestiging op te richten.

Maar waarom juist nu?

Jeroen Gommers van de Vereniging van vrijescholen heeft geen directe verklaring. Wat hij wel weet, is dat het debat over prestatiedruk, over ‘meetbare doelen’, over toetsterreur, is opgelaaid sinds de Onderwijsraad in 2013 de ‘smalle kijk op onderwijskwaliteit’ in Nederland stevig bekritiseerde. Niet alleen in de Randstad zoeken ouders een alternatief. „In het hele land, ook in Zuid-Limburg, zijn initiatieven voor nieuwe vrijescholen.”

In de praktijk zijn dat dan meestal geen compleet nieuwe scholen met nieuwe besturen. „Want daarvoor moet je in vijf jaar naar 300 leerlingen kunnen groeien. En dat wringt dan weer met onze filosofie van kleinschaligheid.”

Daarom, zegt Gommers, zijn de meeste nieuwe scholen een dependance of nieuwe vestiging van een bestaande school. „En soms beginnen ze zelfs binnen een andersoortige school, zoals in Delft waar het (openbare) Grotius College twee vrijeschoolklassen begint.”

In Haarlem, waar sowieso meer kinderen dan plaatsen op basisscholen zijn, nam een groep ouders het initiatief toen zeventig kinderen niet terecht konden op de vrije(basis)school. In no time stonden honderdzestig kinderen op de lijst voor een nieuw op te richten vrijeschool in Haarlem – de vijfde.

„Niet omdat we allemaal zo antroposofisch zijn”, zegt Ineke Beemsterboer, van de initiatiefgroep. „We maken er juist vaak grappen over, dat altijd alles met vilt moet bijvoorbeeld. En zelf hikte ik nogal aan tegen de vele christelijke jaarfeesten die erbij horen. Maar ik geloof wel in een soort tegenbeweging in een tijd waarin alles lijkt te draaien om presteren, geld verdienen, een goede baan.”

Uit onderzoek van de Vereniging van vrijescholen blijkt dat voor driekwart van de jonge ouders de antroposofische leer geen reden is om voor de vrije school te kiezen; 10 procent is eerder bang voor de dogma’s van Steiner. Keuzemotieven zijn wel: de nadruk op persoonlijke ontwikkeling (67 procent), zelfontplooiing (48 procent) en kunstzinnig onderwijs (42 procent), ‘geen denkwerk maar doewerk’ (40 procent).

Dat vrijescholen meestal ook witte scholen zijn, wordt niet als reden genoemd. Beemsterboer: „Ik vind het juist jammer dat de vrijeschool geen afspiegeling van de maatschappij is. Maar het zijn nu eenmaal vooral hoogopgeleide ouders die deze bewuste keuze maken en het barst in Haarlem van dat soort ouders.”