Column

De klokkenmaker van de Oudebrugsteeg

De grootvader van Hans Schouten was wees geworden, hij liep op goed geluk van Putten naar Amsterdam. Uitgehongerd stond hij voor de etalage van de bakker aan de Raamgracht. De bakker, door erbarmen bewogen, liep naar buiten en gaf hem een snee brood. „Jongen, wil jij mijn knechtje worden?” Dat wilde Albert, zoals hij heette, maar al te graag. Hij sliep onder de toonbank en na zijn militaire dienst trouwde hij met de dochter van de bakker, Johanna.

Dat was in 1883. In Amsterdam kwamen er duizenden gelukszoekers per jaar bij, huizen waren er nauwelijks. Albert en Johanna vestigden zich in de Oudebrugsteeg, nummer 6, tussen het Damrak en de Wallen. Vóór begon Albert een klokkenwinkel, achter was, drie treetjes naar beneden, de keuken en, drie treetjes naar boven, de slaapkamer. Twintig kinderen werden hier geboren, vijftien overleden er. Geen daglicht, optrekkend vocht.

Van de vijf die overbleven was er één voorbestemd voor de zaak, Frits. Maar Frits wilde geen klokkenmaker worden, hij wilde bij het ballet. „Geen sprake van”, zei zijn vader. Op een nacht sprong Frits in het water van het Damrak. Een schipper dregde hem op, alle bewoners van de Oudebrugsteeg hingen uit de ramen, de juffrouw van de overkant riep: „Breng hem naar de Broeders met de blauwe koorden in de Jordaan!” Uiteindelijk verhuisde Frits naar San Francisco, waar hij op een nacht de zee in liep. Zo kwam het dat de vader van Hans Schouten de klokkenwinkel overnam.

Dat was in 1925. „Vier jaar later werd ik geboren”, zegt Hans Schouten. „Als ik mijn ogen sluit, ruik ik nog de bedompte lucht.” Zelf werd hij dominee, eerst hervormd, toen gereformeerd, en sinds zijn tachtigste is hij priester. De oudste kerkvaders, uit de eerste eeuw na Christus, hadden het ware geloof, en die waren katholiek. De hang naar orthodoxie heeft hij van zijn grootvader. Toen de dominee van de Nieuwe Kerk op Paasmorgen 1885 vanaf de preekstoel zei dat Christus natuurlijk niet echt uit den dode was herrezen, sprong Albert woedend op en begon te zingen. Houdt Christus Zijne Kerk in stand, dan mag de hel vrij woeden... Op hele noten.

Schouten woont al bijna zestig jaar samen met Jaap Dorland, in Baambrugge, „als kameraden”. Jarenlang hadden ze elk weekend jonge christenen te logeren. Eten, praten, zingen. Met de volhouders leest Schouten nog wekelijks het evangelie naar Mattheus in het Grieks. Ach, wat zou hij nog eens graag door de Oudebrugsteeg naar de Lange Niezel wandelen, waar zijn moeder opgroeide, en dan rechtsaf naar de Oude Kerk, waar dominee De Vrijer preekte. Maar hij kan nauwelijks meer lopen en met de auto – onmogelijk.

Laatst liep ik naar binnen bij de Oudebrugsteeg 6. Er wordt nu döner kebab verkocht. De jongen achter de balie riep me terug toen ik bij de treetjes naar boven en beneden stond – ze waren er nog. Dozen en emmers, waar ik ook keek. Ik vroeg aan de jongen of hij Nederlands sprak, of anders Engels. „Arabic”, zei hij. Hoe begin je over de geschiedenis van een huis in het Arabisch? Ik liep weer naar buiten en keek naar de huizen ernaast, rijksmonumenten. Friet, vibrators, condooms, pizza’s, wiet.