Bewijs maar dat het om jihad gaat

Het OM heeft matig succes bij de aanpak van jihadisten. Wie Syriëgangers voor vertrek aanhoudt, verspeelt bewijs

Mohamed A.

Eigenlijk kan het Openbaar Ministerie het nooit goed doen wanneer radicale moslims op het punt staan uit te reizen naar de strijd in Syrië en Irak. Doet het OM niks? Dan vertrekken ze, en komen wellicht terug naar Nederland als getrainde en ervaren jihadisten. Grijpt het OM wel in? Dan is het knap lastig hen veroordeeld te krijgen – de verdachten zijn immers al opgepakt voordat ze in Syrië waren.

Na de zomer begint een groot proces in het ‘Context’-dossier, waarbij het OM een vermeende terroristische ronselorganisatie uit Den Haag vervolgt. Vandaag is een regiezitting in het hoger beroep van Maher H. en zijn vrouw Shukri F. Hij werd in december veroordeeld tot drie jaar cel, nadat hij was teruggekeerd uit Syrië. Zij werd vrijgesproken, omdat de rechter ronselen voor de jihad niet bewezen achtte.

Het OM heeft moeite vermeende jihadisten veroordeeld te krijgen, blijkt uit recente rechterlijke uitspraken. Veroordeling volgt alleen als terroristische plannen specifiek bewijsbaar zijn. Maar het OM heeft niet eindeloos de tijd bewijs te verzamelen – het wil mensen oppakken vóór ze uitreizen.

Hier loopt het OM tegen de grenzen van het strafrecht aan, ziet strafrechtadvocaat en hoogleraar Geert-Jan Knoops. „Ons strafrecht is niet bedoeld om mensen met een bepaald gedachtegoed te vervolgen zolang dit niet is omgezet in concrete daden.”

Officier van justitie Ferry van Veghel benadrukt dat wel degelijk concrete daden worden vervolgd: „Als ze voorbereidingen hebben getroffen om uit te reizen naar het strijdgebied, hebben ze een eerste uiting gegeven aan hun gedachtegoed.”

Maar Knoops ziet een verschuiving: „Je ziet dat het OM de grenzen steeds verder naar voren wil verleggen, in plaats van repressief op te treden.” Ofwel: mensen vervolgen voor ze in Syrië hebben kunnen vechten.

In februari ging dat mis. Toen sprak de rechtbank in Arnhem Mohamed el A. en Hakim B. vrij van voorbereiding voor de jihad. Het OM had tegen beiden twee jaar cel geëist. De twee waren in Duitsland aangehouden, op weg naar Syrië. Hun bagage: combat- en survivalkleding, mutsen en iPhones. Maar wilden ze daarmee strafbare feiten plegen? Hoe zeker is dat? Totaal niet, oordeelde de rechtbank. Het OM kon onvoldoende aantonen welke specifieke strafbare feiten zouden zijn voorbereid.

Explosieven

In voor het OM succesvollere zaken had het meer bewijs. Zo was Maher H. al in Syrië geweest. Het was niet precies duidelijk wat hij er had gedaan, maar de rechter achtte wel bewezen dat H. in Syrië meewerkte aan de gewapende strijd; hij had zijn moeder over gevechten ge-sms’t. Conclusie van de rechter: zijn voorbereidingshandelingen – de reis voorbereiden, jihadistische websites bezoeken – waren bedoeld om in Syrië strafbare feiten te plegen: moord en doodslag.

Bij Omar H. waren de aanwijzingen nog concreter: hij had materiaal in huis gehaald om explosieven te maken.

Moet het OM voortaan alleen dit soort zaken voor de rechter brengen, waarin de bewijsvoering zo duidelijk is? Voor die vraag lijkt het wat vroeg, omdat de Arnhemse zaak nog in hoger beroep moet worden behandeld.

Geen risico

Toch lijkt het OM voorzichtiger. De laatste tijd zijn amper nieuwe jihadzaken op zitting gebracht. Terwijl er genoeg jihadgerelateerde zaken zijn. Er lopen zo’n 95 onderzoeken tegen ongeveer 145 personen, zegt Van Veghel.

Advocaat Bart Nooitgedagt, die verschillende jihadverdachten bijstaat, denkt dat het OM mensen vaak vroeg arresteert „om geen enkel risico te nemen”. Daarna moet het al snel vaststellen dat bewijs ontbreekt om de zaak voor de rechter te brengen. „Ik weet uit mijn eigen praktijk van nogal wat verdachten die zijn opgepakt, verhoord en daarna in vrijheid gesteld. En dan horen we heel lang niks van die zaak of er volgt een sepotbericht.”

Van Veghel bestrijdt dat: „Ons beleid is absoluut niet gewijzigd.” Hij vindt dat de Arnhemse zaak in hoger beroep „een goede kans van slagen heeft”, al geeft hij toe dat er in de zaken van Omar H. en Maher H. meer bewijs was.

Het OM zal vroeg blijven ingrijpen, ook al is er niet genoeg bewijs om de zaak op zitting te brengen. Want als het OM iets ziet, niks doet, en er volgt een aanslag, dan heeft het ook niet goed gehandeld. Knoops: „Dat is het spanningsveld waar het OM in zit doordat de rechter zegt: u moet met heel concreet bewijs komen.”