Nu ze dood is, krijgt Joan haar naam in anjers

Extravagante uitvaarten laten zien dat de working class niet weg is uit Londen. De wijk stond stil voor de rouwstoet van een dode tiener.

De bloemenzee voor het huis van mijn overbuurvrouw groeit gestaag. Rouwboeketten, enorme bloemstukken met lelies. In anjers is haar naam afgebeeld: Joan. En er staat: Mum.

Het is een mooie Cockney-traditie. Op de dag van een begrafenis komen de bloemen niet aan bij de begraafplaats of het crematorium, maar bij het huis van de overledene. Daar worden ze buiten op de stoep gelegd, zichtbaar voor iedereen die langskomt. Ter deelneming, maar vooral ook als een soort openbaar condoleanceregister. Een manier om te laten zien welke familiebanden en sociale contacten de overledene had. En Joan kende iedereen in de buurt, en iedereen kende haar.

Men zegt wel eens dat de Cockneys – de blanke working class, type ruwe bolster, blanke pit – uit Londen zijn verdwenen. Verdreven door yuppen en nieuwkomers, op de vlucht voor hoge huren en een onthechte samenleving die zij niet meer herkenden. Waar de ouderwetse pub ten onder is gegaan, zich een gastropub noemt en dus meer een restaurant is, of zich intussen richt op speciaal bier en een trendy jong publiek. Waar het traditionele volkse fastfood – paling in gelei – plaats heeft gemaakt voor fried chicken en kebab.

Het onversneden Cockney-dialect (denk David Beckham, vooral niet het neppe Mockney van Jamie Oliver) is nu in de provincie Essex te horen. Op de markt, waar de Cockney-cultuur haar oorsprong heeft, vraagt men zelden nog om bees in plaats van money (bijen werken hard, maken honing – honey, rijmt op money – en dat is de zoete beloning).

Vroeger was je een Cockney als je bij je geboorte de klokken van St Mary-Le-Bow, de kerk tussen St Paul’s Cathedral en de Bank of England, kon horen. En hun geluid reikte in 1851 ver tot in de East End, in het noorden tot de wijken Islington en Hackney, en in het zuiden tot Southwark, ten zuiden van de Theems. Nu kún je op gehoorsafstand van de Bow Bells niet eens geboren worden: door geluidsvervuiling zijn zelfs in de kraamkliniek van een nabijgelegen ziekenhuis de klokken niet te horen.

Maar dat betekent niet dat er geen Cockneys meer zijn, en de meest zichtbare uiting daarvan is de begrafenis. Dat is een extravagante, theatrale gebeurtenis. De laatste kans om de buitenwereld te laten zien dat het leven beter was dan het misschien achter gesloten deuren werd geleefd.

Joan had zich vast liefst uitgeleide laten doen door een lijkkoets met zwarte paarden en koetsier met hoge hoed. Met zichtbaar plezier vertelde ze eens hoe de auto van burgemeester Boris Johnson moest worden weggesleept voor de rouwstoet voor de pater familias van de lokale misdaadfamilie – lijkkoets, dertig limousines, anjers in de vorm van zijn favoriete leunstoel.

Eerder dit jaar kwam de wijk tot stilstand toen de rouwstoet van zeker tien limousines voor een omgekomen tiener (bloemen in de vorm van zijn dure zonnebril) naar de kerk trok. Als de marktkooplui nog petten hadden gehad, hadden ze die afgedaan.

Zo groot is Joans rouwstoet niet. Maar met verbazing en tranen in de ogen staat haar echtgenoot Billy, een ex-bokser, te kijken hoe de stoep zich vult met vrienden en buren. „Ik wist niet dat ze zo geliefd was”, zegt hij tegen me. 52 jaar woonde ze in deze straat. Met een plechtig gebaar legt de begrafenisondernemer de laatste bloemen op de auto’s. Waaronder een kussentje met het Chanel-logo. Joan hield van mooie dingen.