Column

Netanyahu’s positie met Iran is uitzichtloos

Een van de belangrijkste aspecten van het akkoord tussen Iran en de vertegenwoordiging van het Westen is dat daarmee de grondslag voor een nieuwe routine in de verhouding tussen twee gezworen vijanden kan zijn gegeven. De tegenstelling is begonnen in 1978, toen de ayatollah Khomeini aan de macht kwam, en bereikte een hoogtepunt met de gijzeling van het personeel van de Amerikaanse ambassade die 444 dagen heeft geduurd.

In 2005 werd Ahmadinejad president. Hij heeft in het Westen naam gemaakt door zijn consequente felle anti-Israëlische houding, waarbij hij de Holocaust in twijfel trok en van mening was dat de staat Israël van het Midden-Oosten naar een ander deel van de wereld moest verhuizen. Ook in die tijd al werkte Iran aan een kernwapen. Het is geen wonder dat het land toen door velen als wereldvijand nummer één werd gezien.

Het Westen nam tegenmaatregelen, een vrijwel alzijdige boycot die de economische ontwikkeling van Iran heeft doen stagneren. Nadat in 2013 Hassan Rohani als president en Ali Khamenei als geestelijk leider waren aangetreden is de verhouding tot het Westen principieel veranderd. Het akkoord van Lausanne in april tussen dezelfde partijen die nu opnieuw tot overeenstemming zijn gekomen, was een koerswijziging. Iran beloofde, toen, niet meer aan de ontwikkeling van kernwapens te zullen werken en het Westen was bereid de handelsblokkade aanzienlijk te verlichten. Daarmee was een wezenlijke verandering van de verhoudingen begonnen. Die is nu bevestigd.

In Israël en het Westen heeft deze omzwaai grote verontwaardiging veroorzaakt. Premier Netanyahu sprak van een historische vergissing. In Amerika zijn Republikeinse presidentskandidaten dezelfde mening toegedaan. Maar de vraag is of ze een andere politiek hebben die tot betere resultaten zou kunnen leiden. Daarop wordt geen samenhangend antwoord gegeven. In werkelijkheid zou het alternatief de voortzetting van de bewapeningswedloop zijn met binnen een paar jaar Iran als de volgende kernmogendheid. Tenzij Israël en Amerika bijtijds zouden ingrijpen om dat te verhinderen.

Laten we ons even voorstellen wat dat zou kunnen betekenen. Na een periode van oplopende spanning zou Israël een preventieve aanval uitvoeren. Zou Iran dan al een kernwapen hebben?

Laten we hopen van niet. Een nieuwe oorlog in het chaotische Midden-Oosten zou de hele internationale gemeenschap opnieuw een zware schok toebrengen. We hebben nu al de haast onoplosbare problemen van Syrië, Libië, Irak en de Islamitische Staat, met bijkomende problemen voor Europa – de vluchtelingen en de jihadistische terreur. We kunnen er zeker van zijn dat door een preventieve aanval op Iran dit alles nog zou verergeren. En waar zou het eindigen?

Nu, door deze overeenkomst met Iran, daagt in een situatie die jarenlang uitzichtloos leek, een nieuwe opening. Die is door de westelijke politiek afgedwongen, maar voor het eerst is een Iraanse regering erop ingegaan zonder in het geniep te saboteren. De economische verlichtingen zijn het volk welkom en in Teheran laat zich nog geen godsdienstige of politieke factie horen die verbitterd tegen is.

Voorlopig wijst alles erop dat beide partijen de grondslag voor een nieuwe, constructieve verhouding hebben gelegd. We hebben tijd en ervaring nodig om te kunnen beoordelen wat dit alles waard is. Maar om deze overeenkomst een historische fout te noemen betekent dat Netanyahu en zijn geestverwanten zich in een uitzichtloze reactionaire positie verschansen.