‘Ik geef Pietje Grijpgraag en heks Bel Janet weer leven’

De oude poppen van zijn overleden vader lagen er doods bij in het museumdepot. Daarom treedt Servaes Nelissen nu met ze op.

Foto Rien Zilvold

‘Temidden van al het geweld van de Parade sta ik met in mijn ene hand een bordje met de tekst: ‘Mijn vader was poppenspeler’. En in de andere een kleine handpop.” Zo probeert acteur en poppenspeler Servaes Nelissen (1959) toeschouwers te trekken voor zijn verstilde monoloog Mijn vader was poppenspeler op het drukbezochte, theatercircus de Parade. Kan dat wel?

Nelissen twijfelt zelf ook. „Opeens wordt naast je tent een glasbak geleegd of dringt ander lawaai binnen. Ik speel in een sfeervolle ouderwetse tent met dunne wanden. Iemand zei dat ik de voorstelling ‘Mijn vader was pornoster’ had moeten noemen. Dan was ik avond aan avond uitverkocht. Poppenspel is niet sexy, ik weet het. Daarom ga ik niet mee in het koor van theatermakers die elkaar overschreeuwen om publiek te lokken, ik kies voor het andere uiterste: minimaal, onopvallend. Ook dat trekt de aandacht.”

Servaes Nelissen woont op een woonboot in Wijdewormer. Hier beschikt hij over een atelier annex theaterruimte. Hij maakt zijn poppen zelf, van papier-maché. Zijn vader Jan Nelissen (1918-1987) geldt als grote inspirator en ambachtsman van het traditionele handpoppenspel. In een oud KLM-koffertje bewaarde hij zijn poppen. De zoon opent de koffer en toont zijn medespelers in de Parade-voorstelling: vader Jan en moeder Lenie, de Dood, zoon Servaes zelf en een politieagent: „Mijn vader reisde met een busje langs scholen en marktpleinen. Hij deed alles zelf: teksten schrijven, poppen maken, de poppenkast opbouwen. In Maastricht had hij een eigen theater. Daarna richtte hij het Amstelveens Poppentheater op. Dat was hard werken, zonder subsidie. Soms kwam er helemaal niemand kijken.”

Servaes, de jongste van zeven kinderen, vergezelde zijn vader soms en reikte hem dan de poppen aan. „Al lang wilde ik een voorstelling over hem maken. Mijn moeder zei altijd dat ik op de middelbare school een spreekbeurt over hem moest geven, maar dat durfde ik niet. De titel heeft nog steeds iets van een spreekbeurt, dat vind ik wel mooi. De echte doorbraak voor deze voorstelling kwam na de dood van mijn moeder, twee jaar geleden. Al vaders poppen waren terechtgekomen in een depot van het Theaterinstituut. Pietje Grijpgraag en de heks Bel Janet waren zijn scheppingen, net als de politieman. Politie hoort er bij, zei mijn vader. Die symboliseert het gezag en daartegen is het fijn te ageren. Ik zag de poppen in het depot en vond ze zo dood, zo koud in die geklimatiseerde ruimte. Nu geef ik ze de stem en bewegingen van mijn vader terug.”

Volgens Nelissen was zijn vader pragmatisch met poppen: „Hij sprak niet in termen van bezield zijn of het wonder van de poppenkast, integendeel. Hij kon wild en ruw met ze omgaan, gooide ze in die koffer. Maar ondertussen vond ik het magisch te zien hoe hij met spel en stem de poppen tot leven wekte. Met eenvoudige middelen wist hij een groot effect te sorteren. Ook dat reizen en telkens voor ander publiek staan heb ik van hem geleerd.”

Ook op de Parade reageert het publiek steeds weer anders. „Soms is het tot tranen geroerd, een andere keer is het juist moeilijk de toeschouwers te laten delen in het verhaal. Dit is mijn tiende optreden voor de Parade, ooit begonnen met Kom maar bij het vrouwtje. Dat ging over een onderwijzeres die terugblikt op haar vakantie. Ze beseft dat het niet geworden is wat ze ervan verwachtte. Iets van desillusie zit ook in Mijn vader was poppenspeler. In zijn latere leven kon hij niet mee met de nieuwste ontwikkelingen, zoals dat de acteur zichtbaar was. Hij was van het klassieke poppenspel, en dan ben je per definitie onzichtbaar. Het draait om de poppen.”