Interview

Gereformeerde hindoe naar de VU

Nieuwe rector vraagt zich af: waar zijn in Nederland de gekleurde hoogleraren?

Vinod Subramaniam ziet diversiteit van de Nederlandse samenleving nog te weinig terug aan de universiteiten. foto Merlijn Doomernik

Het is een miezerige morgen. Op het FOM-instituut AMOLF in Amsterdam gaat Vinod Subramaniam (48) voor naar „de belangrijkste opstelling van het gebouw”: het professionele espresso-apparaat.

Twee jaar geleden werd Subramaniam directeur van het AMOLF, waar onderzoek wordt gedaan aan ‘materialen en moleculen met strategisch belang’. Die relevant zijn in de biomedische wereld bijvoorbeeld, of voor toepassingen in zonnecellen.

Een geweldig instituut en een prachtige baan, zegt hij. Toch gaat hij alweer weg. In september wordt hij rector-magnificus van de Vrije Universiteit Amsterdam. Van de universiteit dus die in 1880 door de gereformeerde predikant Abraham Kuyper werd opgericht met de vele stuivers die de ‘kleine luyden’ van zijn achterban bij elkaar gespaard hadden.

Dat Subramaniam zelf hindoe is, was tijdens zijn sollicitatie geen punt. Het ging om het delen van dezelfde normen en waarden. „Misschien ben ik dus een gereformeerde hindoe.”

Had u de geschiedenis van de VU wel bestudeerd?

„Ja, natuurlijk.” De vraag is hem ongetwijfeld vaak gesteld de laatste tijd, maar dat laat de hoffelijke Subramaniam niet blijken. „Zo zag ik dus ook dat de inzichten uit die beginjaren in de loop van de tijd geëvolueerd zijn.”

De religieuze grondslag werd vertaald naar kernwaarden zoals ‘open’, met oog voor diversiteit. „En ik heb geen harde cijfers, maar mijn indruk is dat de VU inderdaad de Nederlandse universiteit is met de meest diverse studentenpopulatie.”

Hangt dat dan samen met die religieuze oorsprong?

„De VU denkt van wel, en ik kan me daar heel goed iets bij voorstellen. Dat de universiteit openstaat voor mensen van allerlei gezindte en afkomst vind ik in elk geval mooi.”

Op de website van de VU staat bij openheid en diversiteit een foto van een meisje met hoofddoek.„Dat spreekt me aan”, zegt hij. „Ik denk dat de VU, meer dan andere Nederlandse universiteiten, onze huidige Nederlandse samenleving weerspiegelt.”

Dat was voor hem ook een belangrijk argument vóór deze baan. Zelf kreeg hij een warm welkom in Twente en op het AMOLF. „En voor collega-hoogleraren van buitenlandse komaf gold dat net zo. Daarin is Nederland bijzonder. In buurlanden is het wel eens anders.”

„Maar de diversiteit van de eigen Nederlandse samenleving vind je te weinig terug aan de Nederlandse universiteiten. Waar zijn de gekleurde hoogleraren? Waar zijn de vrouwen? Mensen uit verschillende bevolkingsgroepen?”

Die kwestie ligt hem na aan het hart. Een complexe kwestie. Een maatschappelijk vraagstuk dat één universiteit niet kan oplossen. Maar als rector magnificus kan Subramaniam wel een rolmodel zijn. En hij zal bijvoorbeeld letten op werving en selectie.

„Zoals: Zijn advertenties gelijk opgesteld voor alle mensen? Hou je rekening met verschillen tussen mensen tijdens sollicitatieprocedures? Zijn de commissies zo samengesteld dat ze niet mensen selecteren die net zo zijn als zij allemaal zelf zijn?”

De stap betekent het einde aan uw wetenschappelijke carrière?

„Ja. Misschien ben ik wat jong daarvoor, maar of er over vijf, zes jaar weer zo’n fantastische uitdaging voorbij zou komen? Bovendien heb ik de afgelopen twintig jaar gemerkt dat ik toch het liefst werk tussen jonge mensen, zoals op universiteiten. Dat geeft een bijzonder gevoel.”

U komt uit het onderzoek. Hoe denkt u over het onderwijs aan die bijna 25.000 VU-studenten?

„Ik denk dat ik het gevoel meebreng dat onderzoek en onderwijs in balans moeten zijn. Onderwijs is de core buiness van een universiteit. Onderzoek moet dat onderwijs voeden.

„Belangrijk daarbij is dat het merendeel van de studenten niet in de wetenschap, maar elders in de maatschappij een baan zal krijgen. Dat betekent dat je steeds ook de maatschappelijke relevantie van het onderzoek moet bekijken, en daar keuzes op moet aanpassen.

„Verder zou er meer balans moeten zijn tussen groot- en kleinschaligheid. Aan de grootschaligheid van moderne universiteiten kunnen we niet ontsnappen. Maar misschien vinden we manieren om ook de kleinschaligheid, de individuele contacten, vaker tevoorschijn te laten komen.”

Rustig aan, zegt hij er steeds bij. „Eerst luisteren.”

Er ligt ook een erfenis: de mislukte fusie tussen de bètafaculteiten van de UvA en de VU. Wat vindt u?

„Daarnaar kijk ik vanuit internationaal perspectief. De VU en de UvA concurreren niet onderling, maar met Cambridge, München of Shanghai. Ze móeten wel samenwerken om van Amsterdam net zo’n aantrekkelijk doel te maken als Cambridge en die andere steden.

„Samenwerking is dus niet ingegeven door een streven naar efficiëntie en het hoeft ook niet te betekenen dat je je identiteit opgeeft. Je bent gewoon aantrekkelijker en sterker als je je samen profileert.”

En wetenschappelijk wangedrag, vaak in het nieuws de laatste tijd - wordt wetenschappelijke integriteit een aandachtspunt?

„Niet speciaal. De aandacht is er al intrinsiek, vanzelf. Bij mij, en bij de academische gemeenschap in het algemeen.

„Punt is wel dat er in de wetenschap te veel druk op de ketel staat en dat kan wangedrag in de hand werken. Het wetenschappelijk bedrijf heeft meer ontspanning nodig.

„Daarover wil ik veel met mensen praten. Hoe kunnen we het zo inrichten dat onderzoekers en docenten meer tijd hebben voor onderzoek en onderwijs? Als instelling moeten we daar ook zelf aan werken, want veel van de regeldruk komt juist vanuit de instelling. Maar: vertrouwen dwing je niet af met een stel regeltjes. We moeten dus goed bekijken welke regels wel en niet nodig zijn. Alweer: balans.”