Gaat Afrika nu zelf zijn wrede dictators berechten?

Na 25 jaar staat vandaag oud-president Habré van Tsjaad eindelijk terecht in Senegal.

Oud-president Habré, onder wiens bewind 40.000 politieke moorden zouden zijn gepleegd, presenteert zich als beleefde huisvader die de Koran leest in zijn cel. Foto AFP

Bijna 25 jaar heeft Souleymane Guengueng uit Tsjaad erop gewacht. In Senegal begint vandaag het proces tegen Hissène Habré, de ex-dictator van Tsjaad die tussen juni 1982 en december 1990 een terreurbewind uitoefende in zijn land. Tienduizenden burgers, vooral behorend tot bevolkingsgroepen in het zuiden, werden in zijn opdracht vermoord of verdwenen voor jaren in de gevangenis. De meesten werden onderworpen aan martelingen.

Souleymane Guengueng was een van de slachtoffers. Hij werd op 3 augustus 1988 gearresteerd onder het voorwendsel dat hij de oppositie tegen Habré zou steunen. Guengueng ziet nog steeds slecht, een gevolg van het feit dat het felle licht in zijn overvolle cel vaak onophoudelijk bleef branden. ’s Ochtends kwam een bewaker langs om te vragen hoeveel gevangenen waren overleden. „Als het er minder dan tien waren, zei hij dat de lijken pas zouden worden weggehaald als het er meer dan tien zouden zijn”, verklaarde Guengueng. Na zijn vrijlating begon hij met het mobiliseren van medeslachtoffers.

Luxe villa

Dat de nu 72-jarige Habré na bijna een kwarteeuw alsnog voor de rechter komt, is opmerkelijk. Het is voor het eerst dat een (voormalig) Afrikaans staatshoofd in een ander Afrikaans land wordt berecht, onder het beginsel van ‘universele jurisprudentie’. Wrede heersers in Afrika werden in het verleden vaak ongemoeid gelaten. Ook Habré dacht in die richting. In december 1990 werd hij verdreven door zijn voormalige militaire commandant Idriss Déby, nu president van Tsjaad. Vlak voor de komst van Déby’s rebellentroepen wist Habré de hoofdstad N’Djamena te ontvluchten, met Franse hulp. Hij week uit naar buurland Kameroen en van daaruit naar Senegal. Hij trok zich terug in een luxe villa in een buitenwijk van Dakar. Lange tijd werd hij daar met rust gelaten, ondanks een eindeloze reeks juridische procedures om hem in Senegal te berechten of om hem uitgeleverd te krijgen aan België, waar slachtoffers van Habrés regime om interventie hadden gevraagd.

Pas na 2012, toen de huidige Senegalese president Macky Sall aantrad, kwam er een doorbraak. Twee jaar geleden werd Habré eindelijk aangehouden. „Een rustige, beleefde en vrome huisvader”, zo portretteerden de aanklagers hem, iemand die dagelijks in zijn cel de Koran leest.

Voor zijn berechting in Senegal is een speciale rechtbank opgericht, in samenwerking met de Afrikaanse Unie. Namens Afrika is een rechter uit Burkina Faso benoemd als voorzitter, de overige rechters komen uit Senegal zelf. Van het budget (8,6 miljoen euro) komt een miljoen uit Nederland.

Aan de betrokkenheid van de Afrikaanse Unie moet geen grote betekenis worden toegedicht, zegt de Amerikaans-Keniaanse hoogleraar Makau Mutua, verbonden aan de Buffalo Law School van de State University of New York. „Het proces tegen Habré betekent niet veel voor Afrika. Hij is niet meer aan de macht. Hem berechten vergt geen politieke offers. Daarom kan het de Afrikaanse Unie ook niets schelen dat Gbagbo (de vroegere president van Ivoorkust) of Ongwen (Oegandees krijgsheer) terechtstaan. Het raakt hun eigen positie niet.”

Aan bewijzen tegen Habré is geen gebrek. ‘De Pinochet van Afrika’, zoals hij wel is aangeduid, is afkomstig uit het woestijnachtige noorden van Tsjaad. Als goede leerling mocht hij naar de Sorbonne in Parijs. Ook nadat een coup hem in 1982 aan de macht had gebracht, bleef hij op goede voet met Frankrijk. Zowel Parijs als de Amerikaanse regering beschouwde hem als een waardevolle bondgenoot in de strijd tegen het Libië van de expansionistische leider Muammar Gaddafi. Zelfs nadat berichten over de wreedheden onder zijn regime naar buiten waren gekomen, werd Habré in juni 1987 door president Ronald Reagan met alle egards ontvangen in het Witte Huis.

Heersers en slaven

„Er waren in feite twee klassen in de Tsjadische samenleving”, staat in een rapport van een Tsjadische waarheidscommissie uit 1992, waarin wordt gesproken over 40.000 politieke gevangenen en over systematische martelingen. „De eerste klasse waren de heersers, de tweede waren zij die werden bestuurd, de slaven. De klasse van de slaven werd dag na dag onderworpen aan vervolgingen, vernederingen en willekeurige misdragingen”.

Voor het proces worden honderd slachtoffers uit Tsjaad overgevlogen naar Dakar. De onderzoeksrechters hebben in Tsjaad de verklaringen verzameld van zo’n 2.500 getuigen. En dan zijn er nog de archieven van het Directoraat voor Documentatie en Veiligheid (DDS), de geheime politie van Habré. Toen Habré in 2009 vluchtte, nam hij koffers vol geld en juwelen mee, maar de archieven waarin de wandaden van zijn geheime politie minutieus werden vastgelegd, liet hij achter. De New Yorkse jurist Reed Brody van HRW vond in 2001 dozen met zo’n 49.000 documenten in het verlaten hoofdkwartier van DDS in de Tsjadische hoofdstad N’Djamena, vlak naast het gebouw waar de Amerikaanse hulporganisatie USAID destijds kantoor hield. Daarnaast zijn op verschillende plekken massagraven onderzocht, onder andere door een Argentijns forensisch team.

Overigens is het niet helemaal juist dat Habré nog nooit is veroordeeld. Al in 2008 kreeg hij in Tsjaad de doodstraf, niet wegens misdaden tegen de menselijkheid onder zijn regime maar wegens steun aan rebellie tegen zijn opvolger, de huidige president Déby.