Drank & Drugs & Dionysos

Ophef! In een opiniestuk in deze krant werd beweerd dat dance nergens toe leidt. Dat leidde tot een golf van verontwaardiging. Filosoof Simon Gusman verklaart waar de denkbeelden over goede en slechte muziek vandaan komen.

beeld wikimedia commons/ thinkstock/ DEA, bewerking Nrc NExt

Er is een hoop controverse ontstaan rond nummer 1-hit ‘Drank & Drugs’ van Lil’ Kleine en Ronnie Flex. Het nummer werd door de tekst (‘Als je bitch wil chillen is het geen probleem’) zelfs verboden door verschillende gemeentes. Maar de tekst is niet het probleem, stelde filosoof Toine Janssen (‘Dance is een doodlopende weg’, 3 juli) in een poging de discussie naar een filosofischer vlak te tillen. Het is de dancemuziek zelf, met haar machinale en eentonige ritmes die van mensen rondspringende objecten maakt: ‘Het verschil tussen van Mozart genieten en van Hardwell is het verschil tussen lachen om een grap en lachen omdat je gekieteld wordt.’

Zo oud als Plato

Janssens analyse is niet nieuw, maar bijna zo oud als de westerse cultuur zelf. De Oud-Griekse filosoof Plato laat in De Staat zien hoe zijn ideale maatschappij eruitziet. In deze maatschappij heeft iedereen een passende plek en taak, en de maatschappij wordt erop ingericht dat deze taak zo goed mogelijk kan worden uitgevoerd. Muzikanten hebben bijvoorbeeld de taak muziek te maken die dapperheid bevordert bij de soldaten. Maar ze moeten dan wel de juiste muziek maken.

Het is op dit punt dat Plato’s analyse op bijna lachwekkende wijze overeenkomt met die van Janssen. Hij behandelt uitvoerig welke toonaarden slechts ‘weke ontspanningsmuziek’ of slechts ‘geklaag en gejammer’ zijn. Uiteindelijk blijven er twee over die ‘op treffende wijze klanken en nuances kan weergeven van een dapper man’. Twee handen op een buik met Janssen, die stelt dat het volkomen natuurlijk is om in muziek menselijke deugden als moed en bezonnenheid te horen. Plato zegt zelfs dat er om deze reden een hoop instrumenten op de schop mogen. De harp delft het onderspit, de lier en de citer mogen blijven.

Op het eerste gezicht is dit misschien een onschuldige en opmerkelijke positie, maar het is typerend voor het politieke ideaal dat Plato nastreeft. Een waarin iedereen een vaste rol vervult, en waar niets is wat geen nut heeft voor de staat. Een ideaal wat wij vandaag de dag fascistisch zouden noemen. Natuurlijk wil Janssen niet zulke ideeën propageren, maar er zijn wel onderliggende ideeën over de mens die overeenkomen: er zijn slechts enkele manieren om een goed te leven te leiden, en daar passen bepaalde kunstuitingen bij. Alles wat daarvan afwijkt brengt mensen alleen het slechte pad op. Dit lijkt mij haaks staan op ideeën dat mensen er verschillende opvattingen en smaken op na kunnen – en mogen – houden.

Altijd weer kritiek op de populaire cultuur

Een recenter voorbeeld van filosofen die populaire cultuur bekritiseren: Horkheimer en Adorno. Zij stipten in de jaren 40 aan dat mensen door simpel entertainment tevreden gehouden worden door machthebbers. Ook zij maken het onderscheid tussen kunst die verrijkt en die dat juist niet doet. Alleen bij hen ging het eigenlijk niet om bijvoorbeeld de muziek, maar op de massa-industrie die erachter zit en van de luisteraars een passieve homogene massa maakt.

De versplintering in subgenres van dance, die Janssen onbegrijpelijk vindt, toont dat het met die homogeniteit wel meevalt. Ook is het nu zo dat iedereen, via internet muziek uit verschillende genres verspreidt, en dat de massa-industrie van de grote platenmaatschappijen dus niet genrespecifiek is.

Toch heeft Janssen tenminste één punt waar ik me achter kan scharen: verschillende soorten muziek worden doorgaans op verschillende manieren beleefd. Natuurlijk leent dancemuziek zich ervoor om op los te gaan, en leent Mozart zich ervoor om aandachtig naar te luisteren. Ook dit idee is niet nieuw, maar wordt uitvoerig behandeld door Friedrich Nietzsche. Hij schreef over twee verschillende vormen van kunstbeleving, de Apollinische en Dionysische. De eerste, vernoemd naar de Griekse god Apollo, is de bedachtzame en beredenerende manier van kunstaanschouwing. Een stapje terug nemen en er eens goed voor gaan zitten. Het is het aandacht bestuderen van een schilderij, het volgen van een ingewikkelde film, of het bewegingen ontdekken in de muziek van klassieke componisten waar Janssen over spreekt.

Het Dionysische staat daar tegenover als de kunstervaring van de roes, de extase, van ergens helemaal in opgaan. Het is de kunstbeleving die past bij de overdaad van barokke gebouwen, het opgaan in een spannende film, maar ook met dancemuziek. Het is vernoemd naar de god van de drank, Dionysos. Deze werd aanbeden in rituelen waar verdovende middelen aan te pas kwamen, en mensen als bezetenen tekeergingen om zo samen één te worden met de godheid. Dit lijkt me niet veel verschillen van een danceparty.

De ene vorm van kunstaanschouwing is niet minder dan de andere, vond Nietzsche

Nietzsche verkiest de ene vorm niet boven de andere. Beide zijn belangrijke kunstervaringen die passen bij bepaalde facetten van het menselijke bestaan. Hij vond het onterecht dat het Apollinische in het westerse denken altijd als de goede werd gezien, en de Dionysische tot de slechte. Hij moedigde kunstvormen die beide combineerden dan ook aan.

Dat is de belangrijke les van Nietzsche: de ene vorm van kunstaanschouwing is niet meer of minder dan de andere. Smaken verschillen, en dat is niet alleen van toepassing op dat wat mooi gevonden wordt, maar ook op de manier waarop het mooi gevonden wordt. Misschien zijn er behalve de twee die Nietzsche introduceert nog wel andere manieren te bedenken om van kunst te genieten. De een wil aandachtig luisteren naar Mozart, de andere wil opgaan in dansmuziek. De volgende wil zwijmelen bij gevoelige singer-songwriterliedjes en nog iemand wil opgaan in andere sferen met groezelige black metal.

Muziek luisteren is iets anders dan muziek beleven. Het bestuderen van Mozart en housen op Hardwell – het is appels met peren vergelijken.