Column

Chique wereldvreemd

In het meest recente nummer van kunsttijdschrift Metropolis M vertelt de kunstenaar Nomi Mishkin waarmee zij zich „als jonge kunstenaar” bezighoudt: „het maken van kunst zonder fysieke gestalte”. Daar stopte ik even met lezen. Wat bedoelt ze nu precies?

Waarschijnlijk gewoon wat er staat. Toen ik doorlas bleek dat zo te zijn. Haar volgende zin: „Waarom maak ik niets?” Deze kunstenaar maakt dus geen kunst. Pardon: geen kunst in fysieke zin. Het artikel draaide om dat niets. Het bleek nog interessant ook. Het ging over kunst die is verdwenen, gestolen, verbrand; die niet is.

Dus drukte ik mijn dedain weg en probeerde te beseffen hoe stevig deze kunstenaar eigenlijk in haar schoenen staat, om zichzelf kunstenaar te noemen zonder fysiek bewijs van dat kunstenaarschap te leveren. En dan ook nog beweren dat het niet-scheppen je fascineert, zoals deze Mishkin deed.

Ik zou mezelf geen journalist durven noemen als ik niet zo nu en dan een artikel produceer. Sterker, ik zou het mezelf kwalijk nemen als de kopij niet meer komt, direct, ik zou mezelf slap vinden en laks. Ik ontbeer kennelijk een soort argeloze zelfverzekerdheid die zelfverwijt buiten de orde verklaart, tenminste, als het aankomt op het boeken van tastbare resultaten.

Argeloze zelfverzekerdheid kwam ik voor het eerst tegen in mijn studententijd. Ik wandelde met een groepje vrienden door de duinen. Naast me liep een lange, tikje lijzige leeftijdsgenoot met ravenzwart haar. Ze was voornaam en in haar zachte stem klonk altijd lichte verbazing. Ik vroeg haar waarom ze al meer dan negen jaar over haar studie deed, met het gevaar dat ze me lachend zou wegzetten als burgerlijk. Maar dat deed ze niet.

„Weet je wat het is Pieter?” Ze zei het rustig en serieus: „Ik heb een gebrek aan zelfdiscipline.” Ze sprak ‘gebrek aan zelfdiscipline’ uit alsof het een fysieke aandoening betrof, iets als de griep. Of beter nog: iets chronisch, als MS of taaislijmziekte.

Ik draai deze anekdote vaak af als ik vertel met wat voor verwende wezens ik graag omga, want daar komt het natuurlijk op neer. Omdat daarna lang niet iedereen lacht, heb ik me afgevraagd waarom ik de anekdote zelf zo grappig vind. Ik denk omdat argeloze zelfverzekerdheid hier grenst aan chique wereldvreemdheid. Alles ging bij deze diplomatendochter kennelijk vanzelf. Behalve dus het halen van tentamens. Als alles vanzelf gaat, dan kun je er zelf versteld van staan, denk ik, dat tentamens halen niet vanzelf gaat. Je moet ervoor leren. Zonder dat besef is er geen schaamte, maar een oprechte interesse in oorzaken: waarom haal ik geen tentamens? Of: waarom maak ik geen kunst?

Kunstenares en diplomatendochter vragen het zich af en zien het antwoord als fenomeen, als iets wat eigenlijk buiten henzelf staat.

De kunstenaar laat in het essay zien tot wat voor interessante bespiegelingen dit kan leiden. Bij de diplomatendochter weet ik het niet; ik weet eigenlijk niet wat ze nu doet. Stom. Ze vertelde me nog wel eens, lang na die wandeling, dat ze „een kuur tegen het gebrek aan zelfdiscipline was begonnen”, maar dat was een grap. Ik had moeten doorvragen.

Want het zou natuurlijk kunnen dat ze, door zichzelf helemaal te nemen zoals ze is, ergens is beland waar het interessanter is dan waar gedisciplineerde doorzetters komen. Wel, laat ik Facebook eens opgaan, misschien is ze inmiddels kunstenaar. Wellicht zelfs een die fysieke gestalte geeft aan ideeën.