Agent die schiet is toch anders dan een burger die schiet

Hoe streng moet de rechter zijn tegen een agent die een beroepsfout maakt, waardoor net geen dodelijk slachtoffer viel? De rechter in Maastricht veroordeelde vrijdag een lid van een arrestatie-eenheid tot twee jaar cel en een schadevergoeding. De man schoot in een situatie waarin geen acuut gevaar dreigde en beroofde daarbij iemand bijna van het leven; niet de verdachte.

De agent schoot inderdaad ten onrechte oordeelde het OM, maar handelde daarbij uit noodweer. De man vreesde te worden overreden. De rechtbank stelde echter vast dat de auto 12, 13 km per uur reed en er niemand in de rijrichting stond. Er wás geen onmiddellijk gevaar. De agent stond in zijn beleving echter pal naast een auto met piepende banden en ronkende motor, die van een kleine parkeerplaats trachtte te vluchten. Levensbedreigend dus. In de rust van de raadkamer stelde de rechtbank achteraf vast dat deze auto nooit harder dan 26 km per uur reed en ook niet ver kwam. Een getrainde agent had de situatie anders moeten inschatten.

Op poging tot doodslag wordt doorgaans een straf van vier jaar cel ‘passend en geboden’ gevonden. Het gaat hier volgens de rechter om „één van de ernstigste strafbare feiten”. Dat de verdachte het strafbare feit pleegde als politieman vond de rechtbank een „onvoldoende valide zijnde reden” om helemaal geen celstraf te geven. Wel om die te matigen. En daar wringt toch de schoen. Heeft een agent geen recht op een veel ruimere beoordelingsmarge?

Deze unieke celstraf zorgde voor ophef en vertoon van solidariteit bij de politie. De nationale korpschef zei verbijsterd te zijn en „tot de hoogste instantie” door te procederen, hoewel hij het oordeel nog niet had kunnen bestuderen. De betreffende agent mag gewoon dienst blijven doen. Bij de politieleiding hebben emoties de overhand. Respect voor het vonnis kan niet opgebracht worden. De politie, ook de leiding, gedraagt zich als slachtoffer, onbegrepen door de samenleving. Dat maakt van een lokale beroepsfout een institutionele vertrouwenskwestie. Dat had de top moeten vermijden door tot kalmte te manen in plaats van verbijstering te etaleren.

De vraag of agenten die in functie hun wapen gebruiken écht langs dezelfde meetlat moeten worden gelegd als burgers, inclusief de criminelen onder hen, is meer dan gerechtigd. Wellicht is hun rol meer te vergelijken met militairen, die zich voor hun geweldstoepassing eventueel verantwoorden bij een Militaire Kamer. Hier wreekt zich ook het ontbreken van een politietuchtrecht, dat ook sancties voor onprofessioneel optreden had kunnen opleggen. Dat kan het draagvlak voor de toetsing van officieel geweld bij de politie vergroten. Dat dit nodig is, bleek zonneklaar uit deze zaak.