Ze kussen de muziek wakker

Tijl Beckand, cabaretier en presentator van De Tiende van Tijl, over klassieke muziek, brengt een album uit met werk van zijn vergeten overgrootvader. De musici die de muziek opnamen, hadden een „doornroosjegevoel.”

De bladmuziek van Charles Beckand, de overgrootvader van Tijl Beckand. Foto Roger Cremers

‘Kijk, dit is mijn overgrootvader.” Cabaretier en televisiepresentator Tijl Beckand (40) houdt een stapel bladmuziek omhoog. De voorpagina van de vergeelde bladen toont zijn overgrootvader, componist Charles Beckand. Het ovalen staatsieportretje onthult een strenge man met een donkere snor. „De nieuwste van Charles Beckand” staat eronder geschreven.

Jarenlang lag de bladmuziek te verstoffen in een kast bij Beckands ouders, maar in oktober zullen de composities voor het eerst in honderd jaar weer voor iedereen te horen zijn. Tijl Beckand selecteerde dertien stukken van zijn overgrootvader en die komen dit najaar uit op cd, uitgevoerd door musici van het Radio Filharmonisch Orkest, het Nederlands Blazersensemble en The Atlantic Trio. „Ik vroeg me natuurlijk al langer af hoe die muziek was, maar omdat ik geen noten lees, moest ik de composities horen spelen. Nu weet ik hoe mijn overgrootvader klinkt.”

In zijn puberteit ontwikkelde Beckand een passie voor klassieke muziek. Tijdens zijn carrière als cabaretier zette hij die interesse op een zijspoor, totdat hij in 2011 het televisieprogramma De Tiende van Tijl ontwikkelde en ging presenteren. Na vier seizoenen de levensverhalen van andere componisten te hebben verteld, vond hij het tijd voor zijn eigen familieverhaal.

Een arme tijd

Er was weinig te vinden over het leven van componist Charles Beckand. „Hij is in 1866 in Luik geboren – een arme tijd – en vertrok naar Brussel om werk te zoeken. Samen met zijn vrouw Marie Thérèse kreeg hij elf kinderen, van wie er drie jong overleden. Maar de familieanekdotes spreken elkaar tegen. De een zegt dat mijn overgrootmoeder aan het eind van de dag op de markt goedkope duiven kocht waar de maden nog uitgespoeld moesten worden, een ander meent dat het wel meeviel met de armoede.”

Overgrootvader Beckand was pianist, componist en waarschijnlijk orkestleider, aangezien hij veel stukken componeerde voor meer dan dertig instrumenten. „Waarschijnlijk verzorgde hij met een klein orkest achtergrondmuziek in restaurants, hotels of herenclubs.” Verschillende familieleden hadden, net als de ouders van Tijl Beckand, nog bladmuziek in de kast of op zolder liggen. Negentien stukken wist hij bijeen te rapen. „Maar er ontbreekt nog veel, ik denk dat ik de helft van zijn werk nog niet heb gevonden.”

Niemand speelde de muziek van Charles Beckand eerder, behalve Beckands opa Edgard – zoon van Charles en een goed cellist – en een oom die concertmeester was bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Edgard Beckand bracht in 1953 het stuk ‘Reverie’ op de radio ten gehore, zijn oom nam met collega’s van het Rotterdams Philharmonisch Orkest een paar stukken op en zette deze op een cassettebandje. „Er was vooral veel ruis en een harde kraak te horen. Ergens op de achtergrond klonk de muziek.”

Het is geen Mozart

De musici van de orkesten die de muziek nu voor het album opnamen, hadden een „doornroosjegevoel”, zegt Beckand. Het gevoel vergeten muziek wakker te kussen. „De musici overtuigen van het belang van de composities was in het begin best lastig”, zegt Beckand. „Het gaat niet om een vergeten opera van Mozart.” Maar violiste Janneke van Prooijen en bariton Maarten Koningsberger konden Beckand na een eerste blik op de bladmuziek geruststellen: deze muziek was goed.

Overgrootvaders oeuvre bleek divers: salonmuziek, marsen, walsen. „Het is muziek die goed in het gehoor ligt: optimistisch, vrolijk en melodieus. Maar steeds als je denkt: deze melodie gaat zo een tijdje door, dan breekt hij af, alsof Charles Beckand plotseling een ander verhaal wilde gaan vertellen. Verder hoor je er invloeden van Debussy, Chopin en Tsjaikovski in terug.”

Tijl Beckands eigen favoriet is ‘Heureux Presage’, een rustig pianotrio met cello en viool. „Het is een intiem werk, iets waarbij ik het gevoel heb dat dit is wat hij echt wilde schrijven. De marsen en salonmuziek waren waarschijnlijk opdrachtwerken.”

Samen met familieleden – ooms hielpen mee met het selecteren van de stukken, een neef ontwierp de album-hoes – legt Beckand nu de laatste hand aan de cd. „Het is alsof je een kind krijgt. Zit alles erop en eraan? Wordt het aardig gevonden? Je hoopt er het beste van. Ik zelf vind de muziek goed, maar ik ben niet objectief. Ik kan alleen maar hopen dat veel mensen de cd beluisteren en dat de stukken een eigen leven gaan leiden.”