Pretparkangst

Dertig jaar later bezoekt schrijver Aukelien Weverling de pretparken van haar jeugd. Wat blijft er van over door volwassen ogen? En hoe beleeft de achtjarige Rafael ze nu? Vandaag: Ponypark Slagharen.

Foto Niels Blekemolen Foto Niels Blekemolen

‘We zouden meer paardenvlees moeten eten”, zei mijn moeder terwijl ze haar shaggie uitstampte en naar de pony’s wees. „Dat is wellicht de enige kans die deze stakkers hebben om uit hun lijden verlost te worden.” Het was midden jaren tachtig en we bezochten een week lang Ponypark Slagharen, tegenwoordig Attractiepark Slagharen.

Het park ontstond toen winkelier Henk Bemboom in 1963 rond een oude boerderij een paar huisjes in elkaar timmerde die hij met inbegrip van een Shetlandpony verhuurde. In de jaren die volgden kwamen er steeds meer attracties bij en bezoekers. Onder wie ons gezin. „Gaan we ook gourmetten deze week”, vroeg ik mijn moeder. „Natuurlijk, Aukje, het is toch vakantie.”

Ponypark Slagharen dertig jaar geleden. Er waren speeltoestellen, een lange glijbaan en een monorail. En natuurlijk het klapstuk: een piratenschip waar mijn moeder kwam kijken omdat ik erin durfde en waar ik huilend uitkwam omdat het heel hoog was gegaan. Een onvergetelijk moment was ook de bingo waar ik mijn eigen lichaamsgewicht in worst won. Mijn moeder knikte goedkeurend toen ik het naar haar toe sleepte: „Zooo dat is veel worst.”

Zenuwachtig

„Krijg je je pony direct bij de ingang of moet je hem later ophalen? Kun je er zwemmen? Er is toch ook een achtbaan, hoe groot moet je daarvoor zijn?” Het is inmiddels dertig jaar later en voor Raf (8) duurt de rit vanuit de hoofdstad lang. Ergens ben ik zenuwachtig dat het misschien niet de moeite waard is. In mijn herinnering heeft het park, hoe leuk ik het er ook had, toch ook iets sjoemeligs, met zijn stukgebeten pony’s en gulle hand met worst. Maar de armoedige sfeer lijkt verdwenen.

Wie nu binnenkomt, hoort trompettergeschal uit de narcissen en snuift direct de geur van popcorn op. De sleetse speeltoestellen lijken vervangen of hebben een lik verf gekregen. Alles beweegt en draait, de lucht is gevuld met het geluid van kindergegil, opspuitend water, en Big Band-muziek. Een groep cowboys danst terwijl twee pluche wasberen naar ons zwaaien vanaf een wagentje. „Ik wil overal in, overal”, gilt Raf uit boven de muziek. „Durf je daarin, Aukje?” Raf wijst op een boomstam die in een waterbaan omhoog getakeld wordt. Ik voel het weer in mijn buik, als ik er een paar minuten later in zit. Pretparkangst. Angst met de garantie van de goede afloop.

Alles in het park heeft een Wild West-uitstraling, er is een lange winkelstraat met saloons waarboven een kabelbaantje luie bezoekers vervoert en waar suikerkramen zuurstokken en gekarameliseerde appels aanbieden. En na lang lopen is er het piratenschip. „Hier hoef ik niet in hoor, het ziet er een beetje uit als een slome schommel”, zegt Raf misprijzend. „Dit was een van de engste dingen uit mijn jeugd”, leg ik hem uit. „Echt?” Hij fronst. „Gelukkig zijn er nu dingen die spannender zijn”, troost hij.

Wij vonden De Piraat vroeger misschien dan wel allemaal eng, zijn generatie stapt er schouderophalend uit. Het lijkt wel of de pretparkangstgrens verlegd is.

Alles moet meer, groter, hoger en sneller. Wij waren vroeger tevreden met een bingoavond en een piratenschip. Rafs generatie lijkt aan meerdere loopings, dansende cowboys en beesten nog niet genoeg te hebben. Sinds mei kun je in Slagharen zelfs zwemmen in een megawaterpark.

Op onze weg naar de achtbaan dwalen we af naar een verlaten hoek van het park. En hoe de tijd ook meegeeft, sommige zaken veranderen nooit. Daar in een grote zandbak verstopt achter een wal van gras, staan nog steeds die ongelukkige beesten. Nog net zo verloren en vergeten als dertig jaar geleden, met kale plekken in hun vacht en groot verdriet in de ogen. Ik aai Raf over zijn haar en zeg: „We kunnen niet veel voor ze doen, nou ja, we zouden wat meer paardenvlees kunnen eten.”