Oude bekenden

Komende woensdag beginnen de renners in de Tour de France aan een lange passage door de Alpen. Schrijver en amateurfietser Johan Faber verkende het parcours.

Glandon: afstand (vanuit Allemont) 21,7 km,start 800 meter,top 1924 meter,hoogteverschil 1124 meter,gemiddeld stijgingspercentage 5,1. Foto's Lars van den Brink

Colmars, het vertrekpunt. Knus gelegen aan de voet van de Col d’Allos, de eerste grote beklimming van de vier etappes lange passage door de Alpen in de Tour de France. Geen tijd om het dorp te verkennen. De Tour is een reis, en reizen is beweging. De renner staat niet stil bij de vergezichten en de schaduwrijke dorpspleintjes; hij moet verder, altijd verder.

Kom bij mij niet aan met goedkoop wielersentiment. Broederschap en romantiek op de berg, laat me niet lachen. In volle beklimming is er alleen ademnood, een gemangeld scrotum, een brandende onderrug. In de beweging, in de pijn, laat je de dynamiek van het landschap op je inwerken.

Niet om op te scheppen, maar de beklimming van de Col d’Allos is nog een lachertje vergeleken met joekels als Glandon, Croix de Fer en Alpe d’Huez. Een gemiddeld stijgingspercentage van 4 à 5 procent, daar rijden ze fluitend overheen, de echte professionals, de harde jongens van het peloton. Vakantieadressen uitwisselend peddelen ze naar boven; knechten rijden rustig even terug om een gevallen bidonnetje op te rapen.

De Col d’Allos bewaart het vuile werk voor het laatst: steile kilometers, via een serie klassieke haarspeldbochten, over een kaal en winderig landschap. Marmotten ter grootte van teckels steken onverstoorbaar de weg over.

Terwijl het hart harder pompt, snellen de gedachten al vooruit naar de afdaling. Voor mijn geestesoog zie ik slordige bochten, waarin venijnig gruis zich heeft opgehoopt, wachtend op slipgrage wielerbandjes. Aan één kant van de weg een prehistorische muur van steen, aan de andere kant een akelig ravijn. Wild fantaserend zie ik mezelf heroïsch bebloed uit de afgrond klauteren, met de fiets in tweeën en een gloedvol verhaal voor thuis.

Ik denk aan de cols die voor me liggen (mits ik die afdaling overleef). Ik ken die jongens van eerdere trips, vrienden zijn we nooit geworden. Ze zijn vast niet veranderd, want dat soort jongens verandert niet. In geen honderdduizend jaar.

De Glandon, een gore, grillige klim, waar iedereen een hekel aan heeft.

De Croix de Fer. Het lijkt de hemel – die schitterende naam, die sprookjesgroene bergmeren – maar het is de hel.

En dan Alpe d’Huez. Het sluitstuk van de Tour. Het einde van de reis. Vergeet die gillende massa, die achterblijvers letterlijk naar boven duwt. Vandaag staat er maar één toeschouwer langs de kant, en die heet meneer Zwaartekracht.

Hijgend als een oververhitte erfhond bereik ik de top van de Col d’Allos. Lukraak verspreide sneeuwkorsten rusten zelfgenoegzaam op grauwe weides. De berg, hij zwijgt; zijn stilte wordt mijn stilte.