Nieuwe oertijd

Door de Griekse crisis besefte ik opeens hoe vlug we onze vorige oertijd voorgoed achter ons hebben gelaten. Zijn er nog mensen die weten wat een hallefie is, of een achterwiel? Een hallefie was de bijnaam van een halve cent, het kleinste muntstuk ter wereld, van koper, met een diameter van ongeveer acht millimeter. Afgeschaft in 1948, net als de halve gulden die van zilver was. Na de halve cent kreeg je eerst de hele cent en dan de twee en een halve cent, een flinke munt, bijgenaamd vierduitstuk. Daarna de stuiver, een vierkant muntje van nikkel, vijf cent, en het dubbeltje, bijna even klein als de halve cent maar van zilver. Misschien past dit muntje het best bij onze volksaard. Zo zien we hoe een dubbeltje rollen kan. Voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Kijk voor meer varianten in de Van Dale. Wat we kleingeld noemden werd besloten met het kwartje, 25 cent. Voor de volledigheid noem ik de rest van de reeks: de gulden, de rijksdaalder bijgenaamd achterwiel, twee en een halve gulden, het gouden vijfje en het gouden tientje. Wat een rijkdom!

Dit hele monetaire universum is met de komst van de euro verdwenen. En wat nog niet is opgevallen: dat geldt ook voor het spaarvarken, dat dikke beestje van geglazuurd aardewerk, met een gleuf in zijn rug. Als je je spaarcentjes eruit wilde halen, stak je een mes in de gleuf en dan flink rammelen. Het lukte je nooit om het helemaal leeg te maken.

Toen, met de euro kregen we munten van één, twee, vijf, tien, twintig en vijftig eurocent en de één en twee euro. De één en twee cent zie je nooit meer en de eurostuiver is betrekkelijk zeldzaam. Verder is er weinig kans dat je een munt van twee euro met een van een halve euro zult verwisselen. Maar toch, de groep van de euromunten is te weinig markant. Bijnamen hebben ze niet. En het gebrek aan individualiteit merk je bijvoorbeeld als je in de schemer van een caféruimte wilt afrekenen en in de holte van je hand de berg munten probeert te identificeren. Misschien valt er ook nog een op de grond; een euro of een halve. Dat gelazer bedoel ik. En wie wil een euromunt nog in een varkentje stoppen? In het algemeen vind ik de euro een mentale verarming.

De wisseling van de munteenheid valt ongeveer samen met de definitieve doorbraak van de digitale wereldrevolutie. Het is waar: in de jaren negentig waren we al aardig op weg en aan het einde van de vorige eeuw heeft zich in Amerika de dot.com revolutie voltrokken. Dot.com is het einde van het digitale adres, wat in Nederland punt.nl is. Spreek uit puntenel. Ga nu snel naar Pietpuntenel, zegt de radioreclame in een ongeteld aantal variaties. Je kunt het je niet meer voorstellen, maar nauwelijks een kwart eeuw geleden hadden verreweg de meeste mensen nog nooit van puntenel gehoord.

Overigens geloof ik niet dat de wisseling van onze munteenheid en de verandering van de omgangsvormen iets met elkaar te maken hebben gehad. In 1938 heeft Amy Groskamp-ten Have (1887-1959) haar alomvattende boek Hoe hoort het eigenlijk voltooid. Daarin staat alles wat je moest doen en laten als je tot de nette, de keurige, de welopgevoede mensen wilde horen. In 1957 is de twaalfde druk verschenen, en merkwaardig, in 2011 toen onze revoluties allang waren voltooid, de 37ste. Waarom wilden toen nog mensen weten hoe het eigenlijk hoorde? Het zou je een rotzorg zijn. Het Engels had zich intussen op de smartphones, tablets, desktops, apps met het Nederlands tot een soort neokoeterwaals ontwikkeld. Iedereen tutoyeert elkaar, een brief begin je nu met Hi there en als het gedrag van de conducteur of de apothekersassistent je niet beval, kan die een knal voor zijn kanus krijgen. De ontwikkeling van deze oertijd is nog in volle gang.