‘Nederlandsheid’ loop je vanzelf op

Nederlander word je door langdurige omgang met Nederlanders, meent

Warna Oosterbaan.

Illustratie Tomas Schats Illustratie Tomas Schats

Iedere vakantieganger kan het de komende tijd weer zien: je pikt de Nederlanders er meteen uit. Je ziet het aan lichaamslengte en aan kleding. Maar je ziet het ook aan het informele dat Nederlanders kenmerkt en de manier waarop ze de wereld inkijken. Nederlander zijn is behalve een heleboel andere dingen ook een kwestie van lichaamstaal.

Hoe ver dat gaat zag ik op een zomeravond in Al Hoceima, een Marokkaans stadje aan de Middellandse Zee. Door de straten en pleinen trok een eindeloze stoet van jongens en meisjes. Veel van hen waren uit Europa afkomstig, vooral uit Nederland, maar ook uit België en Duitsland. Ze waren met hun ouders voor de zomervakantie naar de stad gekomen waar hun familie oorspronkelijk vandaan kwam. Maar hun neven en nichten die nog steeds hier woonden, waren er ook. De meisjes allemaal in lange jurken en met een hoofddoek, de jongens in spijkerbroek, T-shirt en op sportschoenen.

Voor mij behoorden ze allemaal tot dezelfde groep: de licht getinte jeugd die uit Noord-Afrika afkomstig is. Maar die jeugd zelf had een veel scherpere blik. „Die komen uit Nederland”, zei een insider tegen me, en ze knikte in de richting van een groepje jongens. „En die zijn van hier”. En die daar? „Ik denk dat het Belgen zijn.”

Hoe zie je dat, vroeg ik aan mijn gids, een Marokkaans-Nederlandse antropologe. „Het is iets in de manier waarop ze lopen. Als ze uit Nederland komen lopen ze sneller. Je ziet het ook aan hun oogopslag, hun houding.” Niet alleen zij kon het zien, iedereen hier had die kennersblik. Want naast veel andere dingen is Al Hoceima ook een huwelijksmarkt, en het is van groot belang om te zien of dat leuke meisje of die aardige jongen wel een ticket naar Europa op zak heeft.

Nationaliteit kan bezit nemen van je lichaam, het trekt in je oogleden en regelt je looptempo. Sociologen gebruiken voor die combinatie van sociologie en biologie het woord habitus. Dat begrip verwijst naar routines, houdingen en uitdrukkingen die we als vanzelfsprekend ervaren, als een ‘tweede natuur’. Een methode om zonder veel rompslomp deel te nemen aan het sociale verkeer in Nederland. Het is een elementaire vorm van Nederlandsheid, en de vraag is of het voldoende is voor het Nederlanderschap. Of moeten we meer eisen stellen aan de mensen die in Nederland wonen? Moeten we verlangen dat ze echtscheiding als iets normaals accepteren, dat ze mannen en vrouwen als gelijken zien en moeten ze accepteren dat hun religieuze gevoelens gekwetst mogen worden? Kortom, moet iedereen de progressieve Nederlandse agenda accepteren?

De neiging bestaat die eisen inderdaad te stellen. Sociologen als Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak noemen dat ‘culturalisering’. Het Nederlanderschap heeft steeds minder een juridische of een economische betekenis, maar wordt steeds meer ‘cultureel’ gedefinieerd. Je bent pas geïntegreerd, vinden velen, als je de ‘juiste’ opvattingen – dat wil zeggen: juiste Néderlandse opvattingen – hebt over kleding, relaties tussen mannen en vrouwen, vrijheid van meningsuiting, religie, etc. Die culturalisering is geen gelukkige ontwikkeling, vinden Tonkens en Duyvendak, want zij werpt barrières op voor nieuwkomers die nog niet zo ‘ver’ zijn.

Dat klinkt aannemelijk en het zou daarom beter zijn als we voorlopig genoegen te nemen met die habitus, met die elementaire beheersing van het Nederlands en het Nederlanderschap. Niet dat het verwerven daarvan zo eenvoudig is. Je kunt het niet leren in een inburgeringscursus, het enige wat werkt is de langdurige omgang met andere Nederlanders.

Maar hoe zit het dan met die andere hete hangijzers? Met het recht om te kwetsen, de acceptatie van homoseksualiteit? De gelijkheid van man en vrouw? Nederlanders vergeten vaak dat nog maar vijftig jaar geleden het grootste deel van de autochtone bevolking de grootste moeite had met al die vrijzinnigheid. Je kunt van nieuwkomers niet verwachten dat ze na een spoedcursus tot dezelfde verlichte conclusies komen.

Helpt het als nieuwe Nederlanders op de hoogte zijn van de belangrijkste kenmerken van de Nederlandse identiteit? Dat lijkt ook een weinig vruchtbare strategie. De pogingen om die identiteit onder woorden te brengen - in de Canon van de Nederlandse geschiedenis en cultuur bijvoorbeeld, die in 2006 gereedkwam – leiden er immers ook toe dat nieuwkomers wordt ingepeperd dat ze van die geschiedenis geen deel uitmaken.

Bovendien is het de vraag of die identiteit wel een duidelijke vorm heeft. Het meest concrete wat je ervan kunt zeggen is dat die voortdurend verandert. Elke generatie maakt de balans opnieuw op. Typisch Nederlandse tradities kunnen in een oogwenk onder vuur komen te liggen – zie Zwarte Piet. Onwankelbare helden uit de geschiedenis kunnen plotseling als massamoordenaar worden ontmaskerd – zie Jan Pieterszoon Coen. En terwijl in 1971 de barakken van het voormalige concentratiekamp Westerbork werden gesloopt, worden ze nu weer moeizaam bij elkaar gezocht en opnieuw opgebouwd. Allemaal het gevolg van veranderde inzichten en nieuwe gevoeligheden. Daaraan dragen ook nieuwe Nederlanders bij – zoals dat ook vroeger altijd het geval is geweest.

En intussen, onafhankelijk van het geleerde debat dat over identiteit wordt gevoerd, en zonder tussenkomst van beleidsmakers nemen de mensen in het land elkaars gewoonten, gezichtsuitdrukkingen en looptempo over. Het is geen programma, geen verzameling normen en waarden. Het is implicieter, misschien wel ingrijpender: het Nederlandse zit uiteindelijk ook in ons lichaam. Dat biedt geen garanties voor een harmonieuze toekomst, maar wat hoop zou moeten bieden is dit: het Nederlanderschap is in hoge mate besmettelijk.