Nederlands is een lichaamstaal

In Marokko zie je ineens hoe Nederlands Nederlandse Marokkanen zich bewegen. Kijk daar eens naar, zegt Warna Oosterbaan. In plaats van te verwachten dat ze ‘onze’ normen en waarden overnemen.

De komende tijd kan iedere vakantieganger het zien: je pikt de Nederlanders er in het buitenland meteen uit. Je ziet het aan hun lichaamslengte en aan hun kleding. Maar ook aan het informele dat Nederlanders kenmerkt en de manier waarop ze de wereld inkijken. Nederlander zijn is behalve veel andere dingen ook een kwestie van lichaamstaal. Hoe ver dat gaat zag ik op een zomeravond in Al Hoceima, een Marokkaans stadje aan de Middellandse Zee. Door de straten en pleinen trok een eindeloze stoet jongens en meisjes. Veel van hen waren uit Europa afkomstig, vooral uit Nederland. Ze waren met hun ouders voor de zomervakantie naar de stad gekomen waar hun familie vandaan kwam. Hun neven en nichten die nog steeds hier wonen, waren er ook. De meisjes in lange jurken met hoofddoek, de jongens in spijkerbroek en op sportschoenen.

Voor mij behoorden ze allemaal tot dezelfde groep: de lichtgetinte jeugd die uit Noord-Afrika afkomstig is. Maar die jeugd zelf had een veel scherpere blik. „Die komen uit Nederland”, zei een insider tegen me, en ze knikte in de richting van een groepje jongens. „En die zijn van hier.” En die daar? „Ik denk dat het Belgen zijn.” Hoe zie je dat, vroeg ik aan mijn gids, een Marokkaans-Nederlandse antropologe. „Het is iets in de manier waarop ze lopen, Als ze uit Nederland komen lopen ze sneller. Je ziet het ook aan hun oogopslag, hun houding.” Niet alleen zij had die kennersblik. Want naast veel andere dingen is Al Hoceima ook een huwelijksmarkt, en het is van groot belang om te zien of dat leuke meisje of die aardige jongen wel een ticket naar Europa op zak heeft.

Nationaliteit kan bezit nemen van je lichaam, het trekt in je oogleden en regelt je looptempo. Sociologen gebruiken voor die combinatie van sociologie en biologie het woord habitus. Dat begrip verwijst naar routines, houdingen en uitdrukkingen die we als vanzelfsprekend ervaren, als een ‘tweede natuur’. Een methode om zonder veel rompslomp deel te nemen aan het sociale verkeer in Nederland. Het is een elementaire vorm van Nederlandsheid, en de vraag is of het voldoende is voor het Nederlanderschap. Of moeten we meer eisen stellen? Moeten we verlangen dat ze echtscheiding als iets normaals zien, mannen en vrouwen als gelijken zien, en dat ze accepteren dat hun religieuze gevoelens gekwetst mogen worden? Kortom, moet iedereen de progressieve Nederlandse agenda accepteren?

De neiging bestaat die eisen inderdaad te stellen. Sociologen als Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak noemen dat ‘culturalisering’. Je bent pas geïntegreerd, vinden velen, als je de ‘juiste’ opvattingen – dat wil zeggen: Néderlandse opvattingen – hebt over kleding, relaties tussen mannen en vrouwen, vrijheid van meningsuiting, religie, etc. Die culturalisering, vinden Tonkens en Duyvendak, werpt barrières op voor nieuwkomers die nog niet zo ‘ver’ zijn.

Voorlopig zouden we beter genoegen kunnen nemen met die elementaire beheersing van het Nederlands en het Nederlanderschap. Niet dat het verwerven daarvan zo eenvoudig is. Je leert het niet in een inburgeringscursus, het enige wat werkt is de langdurige omgang met andere Nederlanders.

Maar hoe zit het dan met die andere hete hangijzers? Met het recht om te kwetsen, de acceptatie van homoseksualiteit? De gelijkheid van man en vrouw? Nederlanders vergeten vaak dat nog maar vijftig jaar geleden het grootste deel van de bevolking de grootste moeite had met al die vrijzinnigheid. Je kunt van nieuwkomers niet verwachten dat ze na een spoedcursus tot dezelfde verlichte conclusies komen.

Wat kun je zeggen over identiteit?

Helpt het als nieuwe Nederlanders de belangrijkste kenmerken van de Nederlandse identiteit kennen? Dat lijkt ook een weinig vruchtbare strategie. De pogingen om die identiteit onder woorden te brengen leiden er immers ook toe dat nieuwkomers wordt ingepeperd dat ze van die geschiedenis geen deel uitmaken. Bovendien is het de vraag of die identiteit wel een duidelijke vorm heeft. Het meest concrete wat je ervan kunt zeggen is dat die voortdurend verandert. Typisch Nederlandse tradities kunnen in een oogwenk onder vuur komen te liggen – zie Zwarte Piet. Daaraan dragen ook nieuwe Nederlanders bij.

En intussen, onafhankelijk van het geleerde debat over identiteit, nemen de mensen in het land elkaars gezichtsuitdrukkingen en looptempo over. Het is geen programma, geen verzameling normen en waarden. Het is implicieter, misschien wel ingrijpender: het Nederlandse zit uiteindelijk ook in ons lichaam. Dat biedt geen garanties voor een harmonieuze toekomst, maar wat hoop zou moeten bieden is dit: het Nederlanderschap is in hoge mate besmettelijk.