Column

Stóndpunten: hier zat ik fout

Waar ik fout zat. Elk jaar voor de vakantie probeer ik daar eerlijk over te zijn. Als een medicijn tegen zelfgenoegzaamheid. Het grootste gevaar voor een handelaar in meningen is verblind te raken door de illusie van een voortdurend eigen gelijk. Een mens met alleen standpunten en geen stondpunten denkt wat mij betreft niet genoeg na.

Toen ik mezelf dit jaar de vraag stelde waar ik fout zat, dacht ik: waar niet? Het was een jaar van twijfel, een jaar waarin alles ter discussie stond.

Sinds de financiële crisis is de economische wetenschap zoekende. We dachten een medicijn te hebben om zo’n crisis te verhelpen, maar de westerse economieën worden niet echt beter. Het zorgt voor allerhande existentiële vragen die telkens neerkomen op de oervraag: begrijpen we onze economieën nog wel? Deze week nog sprak Janet Yellen, baas van de Amerikaanse centrale bank, in het Amerikaanse Congres over een van de grote vragen van dit moment: waarom groeien de lonen zo magertjes? Misschien omdat de productiviteit van werknemers zo matig toeneemt, opperde ze. Maar waarom is dat?

Het was, kortom, een geweldig jaar. Niets spannender dan intellectuele twijfel. En die twijfel wordt niet alleen door denkers verwoord. Dit was het jaar waarin de columnist Martin Wolf van The Financial Times én de acteurs in het behoorlijk demagogische toneelstuk De Verleiders tegelijkertijd dezelfde vraag stelden: waarom mogen banken geld scheppen? Moeten we dat niet gewoon verbieden om het financiële systeem veiliger te maken?

Er ontluikt een uiterst relevante ideeënstrijd in de maatschappij over economische politiek. Veel concentreert zich rond de vraag: kan de gemiddelde westerling nog voldoende vooruit komen door te werken? In de VS en het Verenigd Koninkrijk woedt een debat over de stagnatie van de lonen. Het liberale Britse weekblad The Economist opperde daarom een paar maanden geleden om het minimumloon te verhogen. George Osborne, de conservatieve minister van Financiën van het Verenigd Koninkrijk, kondigde vorige week aan het minimumloon te verhogen.

Het zette ook allerlei vraagtekens in mijn hoofd. Waarom blijft er zoveel geld plakken op de beurzen en in de kassen van bedrijven en belandt dat geld niet in de echte economie – iets waarover ik me nooit al te druk maakte. Hoe voorkom je dat de positie van werknemers te veel wordt uitgehold door digitalisering en en flexibilisering – iets waarover ik me nooit al te druk maakte. De kansen van laag- en middelbaar opgeleide werknemers lijken af te nemen; het aantal banen dat er voor hen is en het loon dat ze ermee verdienen. Wat te doen?

Heb ik behalve twijfels, nog een keihard stondpunt? Nou, als ik mijn columns teruglees, heb ik in die over Griekenland één kwestie onderbelicht. Ik ben vooral streng geweest over Europa: maak een gebaar naar de Grieken, zet een streep door een deel van de schulden. Ik snap simpelweg niet dat je een oplossing kiest die geen oplossing is, maar ons telkens weer hetzelfde toppencircus brengt.

Maar laat ik heel helder zijn: de huidige Griekse regering heeft het land in de huidige ellende gestort, niet Europa. Toen Syriza-premier Tsipras aantrad was de economie weer op de goede weg. Dat heeft deze regering eigenhandig vernietigd. Dat de rest van Europa nu meer dan 80 miljard euro aan nieuw hulpgeld aan de Grieken moet geven, is vooral de schuld van de Griekse regering zelf.