Column

Libidoders

Vliegveld Zaventem. Ik wacht op iemand die vertraging heeft. Naast mij vraagt een leuke Belgische of ze met me op de foto mag. Ze vertelt in sappig Vlaams dat het niet voor haarzelf is, maar voor haar ex. Die kan ze met de foto enorm stangen. Hij is namelijk een grote fan. Al zeker vijfentwintig jaar. Reist voor mij met plezier naar Amsterdam. Carré toch? Zij ging vroeger mee, maar houdt zelf meer van minder grofgebekte collega’s als Wim Helsen. Maar haar ex is idolaat van mij. Er hangt zelfs ergens nog een poster van mij op zijn vroegere werkkamer. Toen had ik nog haar.

Ik speel even Joris Linssen en vraag op wie ze wacht. Op haar dochter, die met haar ex tien dagen naar New York is geweest. Een goedmakertje van de overspelige vader, die zelf wordt opgehaald door die blonde stoephoer met die dikke reet die daar verderop staat. Het zijn haar woorden en ik vind het grappig dat ze mij grofgebekt vindt. Ze wijst op een blond ding dat overigens hartstikke slank is. Ze is de receptioniste op zijn werk. Twee jaar geleden is meneer de directeur met haar gaan flikflooien en vorige zomer heeft hij zijn gezin verlaten om met haar in een klein dorp te gaan wonen.

Ze vertelt dat ze alles wat met haar ex te maken heeft haat. Ik hoor daarbij. Ettelijke keren per dag citeerde hij mij. Zeker als hij dronken was. Zelfs in bed kwam hij nog met oneliners van deze grappenmaker over seks. Libidoders noemde ze die. Ze gaat hem gek maken met deze foto.

Ik stel haar voor opgewonden te kijken. Ze moet doen of we iets hebben. Een niet te verzengen wederzijds verlangen moet van de foto vonken. Ze zegt dat het lang geleden is dat ze zo gekeken heeft. Of ik haar wil kussen op de foto. Ik wil dat wel. Terwijl ik haar in mijn armen neem zie ik het blonde ding verderop geïnteresseerd kijken.

„Zal ik anders vragen of zij de foto wil maken?”, opper ik een beetje overmoedig. De leuke Vlaamse heeft een beter plan. Ik ben haar nieuwe lief en als verrassing halen we samen haar dochter op, die we het ook meteen vertellen. Wat? Dat ik na maanden van geheimhouding bij hen kom wonen. Mama is weer gelukkig.

Ik vind alles best. Ze vertelt dat zij Suzanne heet en haar dochter Evelyn. Ze heeft ook nog een zoon die Erik heet en in Leuven studeert. We wonen in Waregem. Ik krijg zelfs straat en huisnummer. Ik vraag hoe mijn nieuwe schoonmoeder heet, maar die is al acht jaar dood. Haar vader leeft nog wel. Hij is een lapzwans die omvalt van de schulden. In zijn dorp heeft hij de bijnaam De Griek.

Ook niet onbelangrijk: haar man heet Michel, maar wordt door zijn vrienden Mies genoemd omdat hij niet alleen klein denkt, maar ook een overgeëmancipeerde trut is. Hij twittert als hij de badkamer geboend heeft.

Zijzelf werkt met gezonde tegenzin bij een cateringbedrijf en haar hobby’s zijn surfen en paardrijden. Ze had een eigen paard, maar daar rijdt de nieuwe madam van haar ex op. Die met die dikke reet. Ze heeft medelijden met het paard.

Ik vraag of haar dochter niet zal schrikken. Dat moet dan maar. Het doel heiligt de middelen. En die dochter kan wel wat hebben.

Tien minuten later sta ik oog in oog met haar ex en hun dochter, een leuk onzeker meisje van een jaar of achttien. Hij schrikt overduidelijk, terwijl de dochter zichtbaar verbaasd is. Ik stel me netjes voor en zeg dat Suzanne mijn aanwezigheid maar uit moet leggen. Dat doet ze met verve. Ik zie een topactrice aan het werk.

Haar ex staat aan de vliegveldvloer genageld en wenkt naar het blonde ding dat hij eraan komt. Hij stamelt iets in mijn richting. New York is geen Waregem. Ik schud hem hartelijk de hand en loop met mijn nieuwe Vlaamse geliefde innig naar de uitgang. Het geluk spat van dit gezinnetje af. We nemen afscheid en ik zie ik dat ze huilt.

„Zoeter kon de wraak niet zijn”, lacht ze door haar tranen, „vanaf nu ben ik ook fan. En hij niet meer!”