Lezen in het hart van Europa: de werkelijkheid vermafkezen

Bohumil Hrabal (Foto Reuters)

Een literaire reis legt de ziel van Midden-Europa bloot. In aflevering 1: Het Praag van Hrabal.
‘Wanneer het schrijven me niet lukt, blader ik door de straten van hoofdstad Praag, daarbij denk ik erover na welke vloedgolf het was en wanneer die met één grote golf die mooie bouwwerken in deze stad heeft gekwakt.” Aldus de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997) in zijn verhaal ‘Autootje’. En hij heeft gelijk: Praag heeft een verbluffende architecturale verscheidenheid. En je kunt er geen betere gids hebben dan Hrabal, die als geen ander de Tsjechische cultuur in zijn proza weet te vangen. Hoewel zijn romans en verhalen doorgaans al veel autobiografische componenten bevatten („Ik schrijf altijd over wat mij aan opmerkelijke dingen is overkomen, over wat anderen aan benijdenswaardige dingen is overkomen”), bevat de bundel Praagse Ironie , waarin ook ‘Autootje’ staat, een aantal verhalen die heel dicht bij de schrijver staan, zoals ‘Wie ik ben’ en ‘Waarom ik schrijf’. Ze stellen je in staat om het Praag van vroeger en nu door zijn ogen te bekijken. Waarschuwing vooraf: „de speelsheid in de mens noopt me ertoe dat ik met mijn verbeeldingskracht de loop der gebeurtenissen enigszins rangschik. […] Deze haast chemische reactie noem ik: vermafkezen.”

Bier

Wie Hrabals werk kent, denkt onvermijdelijk aan bier. En net zoals Hanta, de verteller in zijn novelle Al te luide eenzaamheid, om de haverklap zijn papierpers verlaat om aan de toog zijn pul te laten vullen, komt de kroeg in de verhalen van Praagse ironie regelmatig terug. Geen toeval, want niet alleen is bier een belangrijk onderdeel van de Tsjechische cultuur, ook werkte Hrabals vader bij een brouwerij. Hrabal zei er later over dat het taalgebruik van de brouwers en de manier waarop ze elkaar verhalen vertellen, een grote bron van inspiratie was.

Daarnaast kon Hrabal als geen ander het Tsjechische bier waarderen en er over schrijven. Maar we zouden ons vergissen door hem weg te zetten als een drinkebroer, waarschuwt zijn vertaler Kees Mercks: „Je moet hem niet als een kroegtijger beschouwen, daar kon hij zelf ook boos om worden. Zijn werk overstijgt ordinaire kroegpraat. Het zit vol ironie, overdrijving en paradoxen.”

In Praag spreek ik de filosoof Josef Fulka, die Hrabal met zijn studenten behandelt. Fulka beaamt wat Mercks zegt: „Hrabal ging vooral naar de kroeg om te luisteren. De verhalen die hij daar hoorde met de stemmen van zijn tafelgenoten vormden voor hem een polyfonie. Daar maakte hij vervolgens literatuur van.”

Kroegtijger of niet, het vinden van Hrabals stamkroeg is even lastig als eenvoudig: waar te beginnen? De vele cafés die in zijn verhalen voorkomen maken de Praagse binnenstad tot één grote lieu de mémoire. Toch is er een café dat met de eer kan strijken Hrabals stamkroeg te zijn: U Zlatého Tygra (De Gouden Tijger). Het café staat blauw van de sigarettenrook; lawaaierige gesprekken vullen de ruimte. Een kwartier na openingstijd is het al bomvol. De kelner wijst je een stoel, zijn norse collega slingert zonder iets te zeggen een halve liter op tafel. Bier drinken is een serieuze aangelegenheid, zoveel is duidelijk. Aan de muur prijkt een buste van Hrabal. Links daarvan een foto van de schrijver met Vaclav Havel en Bill Clinton. Rechts daarvan een foto van Angela Merkel met een pul bier. Ze kijkt of ze op het punt staat iemand onder tafel te drinken.

Als de pul leeg is, krijg je zonder iets te zeggen een nieuw biertje. „Het grootste plezier beleef ik aan kelners die zodra ze mij zien, mijn dorst meteen vriendschappelijk inschatten en me een halve liter versgetapt pilsener brengen en tot bij mijn hand schuiven”, schrijft Hrabal.

Rare situatie

In ditzelfde café ontmoette Mercks Hrabal in de jaren zeventig voor het eerst. „Dat was een hele rare situatie. Ik kon aanschuiven, maar ik mocht niets over zijn boeken zeggen. Je wist immers niet wie er allemaal aan tafel zaten. Het zat er destijds vol met informanten.”

Leven en schrijven onder het communisme was zwaar voor Hrabal. „Zijn werk heeft een intens tragische dimensie”, zegt Fulka. „Onder de lichtvoetigheid van zijn werk schuilen existentiële angsten en schuldgevoelens.’’

„En daarbij glimlach ik met een zuur gezicht”, schrijft Hrabal in ‘Wie ik ben’. „Dat is mijn galgenhumor… mijn Praagse ironie.”
Typisch Tsjechische humor? „Vind jij het grappig?” pareert Fulka. Ik geef toe dat Hrabal me vaak aan het lachen maakt. „Precies. Ik denk eigenlijk dat iedere grote schrijver, en Hrabal is een grote schrijver, ambieert om universeel te zijn. Maar de manier waarop hij schrijft over de Tsjechische biercultuur en de kunst van het vertellen die daarmee samenhangt, díe is uniek.”