‘Ik ben niet zo angstig’

Bij een Hollands twaalfuurtje vertelt psychiater en filosoof Damiaan Denys over de oorsprong van onze angsten.

„Psychiaters zijn niet de meest meelevende mensen.”

Leren laarzen, leren broek, gestreept T-shirt en een gifgroene motorhelm. Damiaan Denys (49), filosoof en psychiater, parkeert zijn motor voor brasserie Keyzer in Amsterdam, loopt het terras op, stelt zich voor en verontschuldigt zich meteen voor zijn nonchalante kledij op deze zeer warme zomerdag. „Het zal niet de eerste keer zijn dat ik moet uitleggen dat ik geen pakketje kom afleveren, maar de professor ben die men verwacht.”

De motor is de snelste manier om op en neer te reizen tussen zijn verbouwde boerderij op de Veluwe, waar hij woont, en het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Daar is hij hoofd van de afdeling psychiatrie.

Een directe aanleiding om met hem af te spreken is er niet. Behalve dan dat het nogal verrassend was dat hij begin dit jaar in het theater stond. Daarna gaf hij ook nog een onemanshow op het Lowlandsfestival en op 30 augustus is hij een avondlang te gast bij het televisieprogramma Zomergasten. Zijn voorstellingen gaan over het onderwerp waarin hij als psychiater gespecialiseerd is: angst. Hij behandelt patiënten met ernstige dwangstoornissen, obsessieve compulsieve stoornissen zoals het officieel heet. Poets- en wasdwang, precisie- en controledwang, teldwang. „Veel van dit soort psychiatrische stoornissen zijn terug te voeren op angst. Met overdreven controle en rituelen proberen patiënten grip te krijgen op hun leven.” Als de ziekte zo ernstig is dat het lijden van de patiënt ondraaglijk is en geen ander medicijn of therapie helpt, past Damiaan Denys ‘deep brain stimulation’ toe. In de hersenen worden elektrodes geplaatst waarmee de symptomen van de dwangstoornis kunnen worden onderdrukt.

Vanochtend nog was hij bij zijn theaterproducent. Ze hebben afgesproken dat hij vanaf september nog meer shows zal doen, hij gaat zelfs op tournee. Op de vraag wat een psychiater zoekt in het theater, heeft hij het antwoord paraat: „Dat houdt verband met mijn ontgoocheling in de wetenschap. Ik begon mij een clown te voelen. Bij lezingen en colleges over mijn vakgebied speelde ik theater, al stond ik niet op een podium. Dan kan ik net zo goed echt in het theater gaan staan, redeneerde ik.” Ontgoocheling? Clown? Dat klinkt niet best. Hij knikt. „In mijn dagelijks werk ontdekte ik waarheden over angst die ik niet kwijt kan in de wetenschap.” Waarom niet?„Ik heb geen hard bewijs voor wat ik weet. Toch ben ik er zeker van dat mijn observaties kloppen, mijn patiënten beamen het ook. Het theater geeft mij de vrijheid mijn waarheden op een andere manier over te brengen.” Hoe dan? „Ik kan het publiek laten huiveren, hun angst aanjagen, begrip kweken voor wat angst in wezen is. Ik vertel over mijn eigen angst om daar op het podium te staan, dat ik vooraf in mijn broek sta te schijten.” Plankenkoorts? „Zeker. Anticipatie-angst. Hangt nauw samen met schaamte. Je bent bang dat de ander jou anders beoordeelt dan hoe jij graag gezien wil worden.” Dezelfde angst, zegt hij, ligt ook ten grondslag aan paniekstoornissen, pleinvrees en andere sociale fobieën.

Recensenten noemden zijn vorige voorstelling „vermakelijk”, bij tijd en wijle „cabaretesk”. Zoekt hij de lach? Ja, knikt hij, dat ook wel. „Zonder humor is psychiatrie een somber vak. De meeste psychiatrische ziekten gaan nooit over. Hooguit zijn ze te bedwingen.” Later die middag vertelt Damiaan Denys over de stoornis die zijn vakgroep als eerste heeft gedefinieerd en die vooralsnog alleen in het AMC wordt behandeld: misofonie. Misofonie-patiënten zijn overgevoelig voor menselijke geluiden. Smakken, slikken, hoesten, ademen; het geluid ervan brengt hen tot razernij. En uitgerekend deze patiënten krijgen bij het AMC groepstherapie. Dat klinkt als een scène uit een lachfilm, zeg ik. De aandoening zelf is anders bepaald niet grappig, zegt Denys. „Het leven van deze patiënten is een hel. Ze doen alles om andermans geluid te vermijden, ze gaan niet meer naar buiten, kunnen niet meer werken.”

Twaalfuurtje

We drinken water om ons te wapenen tegen de warmte. Hij overhandigt mij de menukaart en vraagt wat ik wil eten. Ik durf niet te kiezen, bang dat hij, als geboren Belg, mijn keuze te Nederlands zal vinden. Nu pakt hij de menukaart, delibereert kort en kiest dan het twaalfuurtje. Soep, broodje, kroket. Hollandser kan bijna niet. Achttien jaar geleden is hij vanuit Leuven naar Nederland gekomen om in Utrecht te promoveren. Hij werd psychiater in het AMC, zijn vrouw huisarts in Barneveld. Twee van hun drie kinderen (van 18, 16 en 14) zijn in Nederland geboren. „Onze kinderen spreken een andere taal dan wij. Ze beklagen zich ook over hun Vlaamse ouders. Ze mogen niks van ons, vinden ze.” En klopt dat? Hij haalt zijn schouders op. „De Vlaamse opvoeding is gemiddeld genomen wat strenger. Wat omgangsvormen betreft, tafelmanieren. Kijk, wij zien geen reden om frieten met onze handen te eten. Wij eten die met vork en mes. Dat vinden de Nederlandse gasten aan onze tafel wellicht overdreven.”

Straks gaan we het hebben over zijn ‘waarheden’ over angst. Eerst even dit: is hij een filosoferende psychiater? Of is hij filosoof die ook psychiater is? „Het een is mijn levenshouding, het ander mijn job.” Wat was hij het eerst? „Toen ik klaar was met mijn studie filosofie, miste ik iets. Ik had geleerd na te denken, maar ik voelde mij nergens werkelijk bij betrokken. Om de dood écht, fysiek, te kunnen voelen, ben ik geneeskunde gaan doen.” Zegt hij nou ‘de dood voelen’? „Ja, het leven voel je vanzelf wel, toch?” De geneeskunde, zegt hij, verschaft hem „ethische immuniteit”. „Als psychiater hoef ik me geen ogenblik te bekommeren over de zinvolheid van mijn dagelijkse activiteiten. Ik heb de zekerheid dat ik tachtig uur per week wijd aan iets nuttigs.”

En psychiatrie is zinvol genoeg? Was hij dan niet beter chirurg geworden? „Ik heb daarover getwijfeld. Chirurg was ik heel graag geworden. Overigens is dat, net als psychiatrie, een narcistisch specialisme. De een fileert het lichaam, de ander snijdt in de ziel. Beide zijn zeer intrusief, en bij beide is de dankbaarheid na behandeling groot. Blijkbaar ben ik daar gevoelig voor.” Het nadeel van psychiatrie is wel dat de „success rate” lager is. „Het resultaat van een blindedarmoperatie is zichtbaarder dan een gesprek over een doodswens.” Van opereren is het alsnog gekomen met zijn deep brain stimulation, ook al doet niet hij, maar een neurochirurg dan het snijwerk.

Goed, laten we het erop houden dat Damiaan Denys een psychiater is met een filosofische inslag. Dan begrijp je beter wat hij zegt over psychiatrische aandoeningen als dwangstoornissen, depressies, verslavingen, eetstoornissen. „Veel stoornissen hebben te maken met zekerheid. Of althans: met het gebrek aan zekerheid. Filosofisch gezien is het de mens onmogelijk om ergens zeker van te zijn. Elke vorm van zekerheid berust op het geloof dat iets zeker is.”

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar mij ging deze redenering iets te snel. Dus nog een keer: „Zekerheid is geen cognitieve notie, maar een gevoel. Je accepteert dat wat je in de werkelijkheid aanschouwt, overeenkomt met het idee dat je daarvan in je hoofd hebt.” Nu gebeurt het nogal regelmatig dat de werkelijkheid niet strookt met hoe wij denken, willen, veronderstellen dat die werkelijkheid is. „U gaat naar de bioscoop waar de film draait die u wilt zien. Maar de film blijkt daar niet te draaien.” Damiaan Denys noemt zoiets „een discrepantie tussen de wereld zoals die is, en de wereld zoals we willen dat die is”.

Let nu goed op, want nu gaat u van hem horen wat ‘normaal’ is en wat ‘gekte’: „Je vermogen, je capaciteit om met die discrepantie om te gaan, bepaalt hoe normaal je bent.” Normaal is: flexibel omgaan met een wereld die anders is dan gedacht. Normaal is ook: redelijk soepel teleurstellingen en frustraties incasseren. Minder normaal is: de wereld verwijten dat die niet is zoals jij denkt en de wereld proberen te controleren (wat meestal niet lukt). Wat weer angst oproept. Waarop die angst weer gecontroleerd en bedwongen moet worden, soms zo dat het dwangmatig wordt: stoeptegels tellen, handen wassen, niet meer eten of juist heel veel. Of depressief raken en niet meer deelnemen aan de wereld.

Opvoeding

Eén op de vijf Nederlanders heeft in meer of mindere mate een angststoornis. Je vraagt je af of er nog iets te sleutelen valt aan dat vermogen om te gaan met een wereld die anders is dan we dachten. Kun je zoiets trainen? Hij glimlacht, misschien omdat de Vlaamse opvoeder in hem van pas komt: „In elke opvoeding zal kinderen geleerd moeten worden dat de wereld niet altijd beantwoordt aan hun verwachtingen. Wandel met de kinderen op een zomerdag. Hoe leer je hun omgaan met een wandeling die dertig kilometer blijkt in plaats van drie? Dat is alvast een begin.”

Begrijpt hij de angsten van zijn patiënten? Hij haalt zijn schouders op. „In de psychiatrie kom je niet ver als je wordt overmand door empathie en medeleven. Ik denk niet dat psychiaters de meest meelevende mensen zijn. Ook bij afwezigheid van betekenis en begrip moet ik mensen kunnen helpen.” Laat ik het anders vragen: Is hij zelf weleens bang? Nee, zegt hij. „Ik ben niet zo’n angstig persoon. Daar heb ik geluk mee.”

Niet dat hij angst slecht vindt, integendeel. „Wanneer je bij jezelf nagaat wanneer je echt vrij bent, dan zijn dat vaak momenten waarop je iets nieuws te wachten staat. Je wordt uitgedaagd, alles ligt open, je hebt de vrijheid om te kiezen. Tegelijk zijn dat de momenten waarop je angst voelt.” Die angst is er niet om bedwongen te worden, zegt hij. „Het is een nuttige emotie. Angst is het signaal dat je op het punt staat je veilige, besloten, gecontroleerde wereld te verlaten.” Hij stapte uit „de comfortzone van de wetenschap” het toneel op. Met podiumvrees de vrijheid tegemoet.