IJsbeer verhongert in langere zomer

Opwarming van de Noordpool verlengt daar de zomer. De ijsbeer komt in tijdnood bij het jagen op lekkere, vette robbenpups.

Populatie neemt af in de loop van 25 jaar

IJsberen redden het niet in de steeds langere Arctische zomer. Daarvoor vrezen biologen. In Science publiceerde een Amerikaans onderzoeksteam vrijdag metingen, waaruit blijkt dat ijsberen hun stofwisseling in schrale periodes niet in een soort ‘winterslaap’-stand zetten. De ijsberen lijden gewoon honger en vallen af, denken de biologen.

IJsberen eten niet het hele jaar door. Nadat ze in het voorjaar wakker worden, staan ze voor een belangrijke taak: robben vangen. In april en mei werpt de voornaamste voedselbron van ijsberen, de ringelrob, zijn jongen. De vette pups liggen op het ijs en hun ouders liggen daar te ruien.

Dat is het moment voor de ijsberen om heel veel robbenvet te eten. Biologen schatten dat ijsberen in die twee maanden tweederde van hun energie voor het hele jaar opdoen. Als het zee-ijs vervolgens smelt en de robben het water opzoeken, wordt de jacht schraal voor ijsberen.

Maar deze voedselrijke lenteperiode wordt korter. Door opwarming van het Noordpoolgebied breekt het zee-ijs in de lente steeds vroeger en komt het in de herfst later terug. Dat voltrekt zich in hoog tempo: ieder jaar wordt het ijsseizoen in de poolgebieden waar ijsberen leven, 1 à 2 dagen korter. Opgeteld is de arctische zomer nu 5 à 10 weken langer dan in 1979.

In de zomer, tussen augustus en oktober, is er voor ijsberen weinig voedsel. In de Hudsonbaai in Canada (aan de zuidelijke grens van het ijsberengebied) vallen de beren 850 gram af, maten onderzoekers ooit. „In de zomer smelt de baai helemaal. De beren komen aan land en sommigen eten dan helemaal niet”, legt onderzoeker John Whiteman uit. „Andere eten eieren, menselijk afval of planten. Qua calorieën is het niks, vergeleken met zeerobben.”

Uit bloedtests hadden biologen ooit afgeleid dat de ijsberen hun stofwisseling op een laag pitje zetten, om de schade nog wat te beperken. Maar dat klopt niet, concluderen nu Whiteman van de University of Wyoming en collega’s. In een noordelijker gebied, de Beaufortzee bij Alaska, maten ze dat de lichaamstemperatuur van vier beren in de zomer slechts 0,7 graad Celsius daalt. Ze schatten de energiebesparing van de beren op maximaal 20 procent.

Wat dat betekent voor de ijsberen, weten de biologen niet. Whiteman: „We denken dat ijsberen in de Beaufortzee ook voedsel tekortkomen in de zomer, al profiteren sommige van de walviskarkassen.” Die liggen daar doordat de Inuit erop jagen.

Het is tekenend voor de toestand van het ijsberenonderzoek: veel ongerustheid, maar ook veel witte vlekken. De meeste gegevens komen uit de zuidelijke gebieden – die het best toegankelijk zijn, maar ook het kwetsbaarst.

Van de 19 ijsbeerpopulaties, met samen 20.000 à 25.000 dieren, zijn er maar 7 voldoende onderzocht om iets te kunnen zeggen over de toestand van de populatie, vergeleken met 1990. Er zijn zelfs gebieden waar het aantal ijsberen nooit geteld is. En er zijn populaties die, ondanks de afname van het zee-ijs, op peil blijven. Whiteman: „Als het ijs smelt, verwachten we negatieve gevolgen. Soms hebben we die waargenomen. Maar soms ook niet. Het Noordpoolgebied is overal anders. We hebben gegevens nodig over alle populaties. Maar het is ook ver weg. En gevaarlijk.”