Hoe ga je om met het lijden van een ander?

Arnon Grunberg loopt mee met de ‘acute dienst’ in Rotterdam en schrijft er een tweeluik over. In deel 2: onderschat de narcistische reflex van de hulpverlener om te willen helpen niet.

Illustratie Sebe Emmelot

In naam van welke waarheid komt de hulpverlener zijn hulp aanbieden? En is die waarheid anders dan de waarheid in naam waarvan de romanschrijver zijn roman komt aanbieden? Op een koele maandagmiddag in de tweede week van juni rijden wij, dat wil zeggen de psychiater, een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en ik, naar een man van in de vijftig die in een begeleidwonenproject zit. Hij is masturberend op de galerij aangetroffen. Hij is al een paar keer opgenomen, maar hij loopt steeds weg.

We treffen een zwaarlijvige man aan in een onttakelde woning waar het licht naar kattenbak stinkt. De man zit voor een grote tv. Hij praat onduidelijk.

Een vrouw zegt: „Wij zijn de ouders.”

De vader zit op een stoel. Men heeft geen bezwaar tegen de aanwezigheid van een journalist bij dit gesprek.

„Ik leef voor mezelf”, zegt de zoon. „Ze vinden me een aparte vogel.”

Hij kijkt naar de tafel terwijl hij spreekt.

Psychiater: „Kunt u zeggen wat er met u aan de hand is?”

De zoon: „Ik ben onrustig. Ze zeiken. Ze treiteren. Ze maken me kapot.”

Psychiater: „Wie?”

De zoon: „De buren.”

Psychiater: „Hoe gaat het slapen?”

De zoon: „Slecht. Maar het valt mee. Ik red me wel.”

Moeder (bijna schreeuwend): „Nee, je moet niet zeggen dat het meevalt. Het valt niet mee. Ik kan het niet meer aan. We hebben hem donderdag naar de kliniek gebracht en nu is hij weer hier. Zo gaat het niet langer, dokter.”

De vader zit erbij alsof hij ook een journalist is. Hij hoort alles oplettend aan, maar lijkt een buitenstaander te zijn. Het verschil tussen passieve oplettendheid en verslagenheid is misschien niet zo groot.

Psychiater: „Slikt u uw medicijnen?”

Een medewerker van het begeleidwonenproject, die inmiddels ook gearriveerd is: „Hij slikt ze onder begeleiding.” Nogal wat patiënten spugen hun medicijnen uit, verstoppen ze of zorgen er op een andere manier voor dat slechts de illusie wordt gewekt dat de medicijnen zijn geslikt.

Psychiater: „Wat zou u zelf willen?”

Zoon: „Normaal slapen en normaal wakker worden.”

Psychiater: „Zou u weer terug naar de kliniek willen? We denken dat dat beter voor u is.”

Zoon: „Als ik voetbal kan kijken.”

Moeder: „Dit kan toch niet. Hij loopt weer weg.”

Psychiater: „Denkt u dat u het dit keer volhoudt?”

Zoon: „Ja.”

De moeder: „Hij heeft zijn seksuele driften niet onder controle. Dat is voor een moeder gruwelijk.”

De zoon en de psychiater reageren hier niet op.

We lopen naar het kantoortje van de buurtzorg om te kijken welke medicatie de zoon precies krijgt. Naar het schijnt is zijn depot niet zo lang geleden verlaagd. Een depot betekent dat door middel van een injectie anti-psychotische medicijnen in het spierweefsel worden ingebracht, waardoor de werkzame stoffen zich langzaam verspreiden en dus langer effect hebben. De behandelend arts vond hem erg suf, hij wilde hem maatschappelijk actiever maken en verlaagde de dosering. Daarmee begon deze crisis.

De medewerker van het begeleidwonenproject: „Het is moeilijk contact met hem te maken. Hij is bijzonder achterdochtig. Dan gaat hij naar de dokter, is hij eindelijk aan de beurt, loopt hij weg.”

Er hangen foto’s van huisdieren in het kantoortje.

We keren terug naar het huis van de zoon, die belooft vrijwillig naar de kliniek te gaan. De moeder heeft intussen een groot bord pasta voor hem klaargemaakt. Maar een dag later worden we gebeld. Hij heeft met een stoel een raam verbrijzeld en wil naar huis. Hij zal nu toch tegen zijn zin in worden behandeld.

De nacht valt in Rotterdam, de psychiater met wie ik meeloop heeft nachtdienst en dus heb ik het ook. Aan het eind van de avond moeten we uitrukken. Een jonge, Turkse vrouw van begin twintig is overstuur, nadat haar man heeft aangegeven te willen scheiden. Volgens de gegevens van de huisarts zou ze zich in de woning van haar vader bevinden, maar daar wordt niet opengedaan. We treffen de jonge vrouw op straat, samen met twee broers en haar vader. Eerst weigert ze het gesprek met ons aan te gaan.

Het droevige lot van de hulpverlener: hij komt met de beste bedoelingen maar dikwijls wordt hij afgewezen. Vaak maakt de hulpverlener de hulpbehoevende zelfs woedend, maar misschien is dat ook wel de taak van de hulpverlener, ervoor zorgen dat de hulpbehoevende zijn woede kan uiten. Daarin lijkt de hulpverlener dan op de schrijver. De lezer moet zich veilig genoeg voelen om boos te kunnen worden op de schrijver; hij moet weten dat de schrijver niet zal bijten, althans niet harder dan strikt noodzakelijk.

Met enige moeite weten we de vrouw te verleiden om plaats te nemen in de auto waar het verkennend gesprek zal plaatsvinden. De vrouwelijke sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en het meisje zitten achterin, de psychiater en ik voorin.

De jonge vrouw: „Mijn man wil scheiden. Hij geeft niet om mij. Ik weet al heel lang dat hij niet om mij geeft.”

Psychiater (zit half naar haar toe gedraaid): „Hoe weet u dat?”

Jonge vrouw: „Daar wil ik het liever niet over hebben.”

Psychiater: „Wat is er vandaag gebeurd?”

Jonge vrouw: „Ik heb mezelf pijn gedaan. Met dat ding waarmee je je nagels knipt.”

Psychiater: „Een nagelschaartje.”

Jonge vrouw: „Ja, en ik heb ook mijn hoofd tegen de muur geslagen.”

Psychiater: „Werkt u?”

Jonge vrouw: „Nee.”

Psychiater: „Hebt u hobby’s?”

Jonge vrouw: „Voetbal.”

Pyschiater: „U speelt voetbal?”

Jonge vrouw: „Ik kijk alleen.”

Psychiater: „Wat moet er nu volgens u gebeuren?”

Jonge vrouw: „Ik wil met rust worden gelaten. Ik blijf op straat.”

Psychiater: „Uw vader en broers maken zich zorgen als u vannacht op straat blijft.”

De jonge vrouw opent het portier en gaat de straat op. Haar vader en broers rennen achter haar aan. Als vogels die wel willen vliegen maar het niet meer kunnen bewegen ze zich voort, heen en weer, soms snelwandelend, dan weer rennend.

De psychiater zegt: „Erachteraan gaan maakt het erger.”

De hulpverleners trekken zich terug bij hun auto en zien het schouwspel tien minuten aan. Als de jonge vrouw weer eens voorbij fladdert, weet de psychiater haar te verleiden tot een kort nagesprek. „Ik geef u wat kalmerende tabletjes, als u die slikt, komt u tot rust”, zegt hij. Ze neemt de tabletjes aan, maar of ze die tabletjes zal slikken betwijfelen we zeer.

„Dit is geen IBS”, besluit de psychiater uiteindelijk. Dat wil zeggen dat de vrouw niet tegen haar zin in behandeld zal worden. Ze kan het zonder ons, ze zal worden overgedragen aan haar huisarts die haar hopelijk verder kan helpen.

We zijn ook alweer elders gewenst. In een begeleidwonenproject waar naast bejaarden ook psychiatrische patiënten zijn opgenomen voelt een hulpverleenster zich bedreigd door een patiënt. Ze moet naast hem zitten en alles opschrijven wat hij in zijn hoofd hoort; hij staat niet voor zichzelf in als ze hem alleen laat. Wat hij in zijn hoofd hoort, gaat volgens haar veelal over seks met meisjes en gezichten waarover hij heen plast. Complicerende factor is dat hij weleens veroordeeld is voor een zedendelict.

In een ruimte die vermoedelijk een recreatieruimte is treffen we een jonge vrouw aan, de verzorgster die deze nacht dienst heeft, en de patiënt, een tengere jongeman van Marokkaanse afkomst.

De vrouw verdwijnt, wij gaan zitten. De jongeman neemt het woord: „Ik zat net te vertellen wat er in mijn hoofd gebeurt. De stemmen hebben me opdrachten gegeven. Ik kan niet nadenken door de stemmen. De stemmen houden me wakker.”

Psychiater: „Wat moet u doen van de stemmen?”

Jongeman: „Dingen schoonmaken.”

Psychiater: „Hoelang hebt u dit al?”

Jongeman: „Sinds een maand. Daarvoor kon ik wel nadenken. Ik hoor ook gedachten van medebewoners.”

Psychiater: „Hoe komt het dat u er nu zo goed over kunt vertellen?”

Jongeman: „Omdat ik weet dat het niet echt is. Ik heb vanavond alles wat in mijn hoofd zit gedicteerd aan die mevrouw. Mijn hoofd is nu uitgelucht.”

Het woord ‘uitgelucht’ treft me in dit verband, een mooie metafoor.

Wederom geen IBS. We nemen afscheid van de patiënt, hij zal de volgende dag worden overdragen aan zijn eigen behandelaar. Ook dat is gezondheidszorg: veel overdracht.

De hulpverleenster komt nog even terug. Ze heeft chocolaatjes van hem gekregen en biedt ons een chocolaatje aan. De psychiater neemt er een. „Lekkere chocolaatjes”, zegt hij.

Mijn verblijf bij de acute dienst in Rotterdam eindigt met een zelfmoordpoging van een vijftienjarig meisje, ze heeft een overdosis pijnstillers genomen. We ontmoeten haar op het politiebureau. Haar vader is er ook, maar ze wil hem niet zien. Een oudere vrouwelijke agent brengt het meisje naar ons toe. Het meisje heeft een kotszak bij zich, ze kan nauwelijks op haar benen staan.

De psychiater besluit dat in deze toestand een gesprek onmogelijk is. „Ik vind het onverantwoord dat de ambulance haar niet naar het ziekenhuis heeft gebracht”, zegt de psychiater. „Gezien haar gewicht vind ik haar toestand nog altijd kritiek. Ze moet naar het ziekenhuis.”

Er wordt om een ambulance gevraagd, maar het zal ruim vier uur duren voor de ambulance haar naar het ziekenhuis brengt. Daar wordt ze gestabiliseerd.

Vroeg in de ochtend worden we gebeld dat we naar het ziekenhuis kunnen om met haar te spreken.

De kinderarts: „Ik maak me zorgen. Zij is anders dan andere adolescenten die een zelfmoordpoging doen. Je kunt hier zo van het dak springen. Ik kan haar niet genoeg bewaken.”

We gaan naar haar toe. Ze ligt met haar kleren op een bed in de intensive care. Ze is zo iel dat ze bijna uit het bed lijkt te zweven.

We gaan aan haar bed zitten.

De psychiater vraagt of ze weet wie de politie heeft gebeld.

Meisje: „Mijn vader. Misschien doe ik andere mensen pijn maar ik moet voor mezelf kiezen. Ik wilde geen pijn meer hebben. Ik vind het rot dat ik niet dood ben.” Ze praat rustig.

De psychiater vraagt of ze stemmen hoort. Ze geeft aan dat ze stemmen hoort die haar ook opdrachten geven.

Psychiater: „Heb je weleens niet gedaan wat de stemmen je zeiden?”

Meisje: „Ja, en toen gingen ze schreeuwen. En dat wil ik niet meer.”

Psychiater: „We gaan je ergens heen brengen waar we gaan proberen iets tegen die stemmen te doen.”

Meisje: „Ik zou nog steeds liever dood zijn.”

Psychiater: „Even voor alle duidelijkheid, dat gaan we niet laten gebeuren.”

Met moeite wordt een bed voor haar gevonden, buiten Rotterdam, want met name de jeugdpsychiatrie schijnt te lijden te hebben onder bezuinigingen. (Parnassia laat weten dat er geen verband bestaat tussen de bezuinigingen en plaatsing van een patiënt in een andere gemeente.) In de auto zegt de psychiater: „Je moet de narcistische reflex van de hulpverlener niet onderschatten. Hij wil altijd hulp aanbieden, maar soms kun je niet zoveel doen.”

Dat is wat ik heb geleerd die week in Rotterdam: hoe je moet kijken naar andermans lijden zonder te vervallen in onverschillig voyeurisme én de narcistische reflex dat je iets moet doen. Uiteindelijk is kijken naar andermans lijden als kijken naar je eigen lijden; je moet doen alsof het niet van jou is. Alleen zo kun je het overwinnen.

De waarheid van de psychiater is zijn geloof in genezing, misschien wel tegen beter weten in, of bij afwezigheid van hoop op genezing, de verwachting dat men de patiënt kan stabiliseren. Als de romanschrijver nog een andere waarheid kent dan de puur economische, dan is dat ook zijn waarheid.