‘De vlag gaat neer in Indië. Wilt gij dit?’

Herstel van het koloniale gezag in Indië, nodig om de wederopbouw te betalen, liep uit op oorlog en het doorsnijden van alle banden. Over het einde van Indië.

Dienstplichtigen vertrekken naar Indië, 1949. Foto Museum Bronbeek

Museum Bronbeek in Arnhem, gevestigd in het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen, laat een gedurfde tentoonstelling zien. Oorlog! met als ondertitel Van Indië tot Indonesië 1945-1950. Het onderwerp van de gewelddadige dekolonisatiestrijd die Nederland in de Oost voerde om Nederlands-Indië te behouden, is nog steeds uiterst delicaat en beheerste de naoorlogse jaren. Oorlog mochten de Politionele Acties destijds niet heten, want het brengen van rust en orde was geen oorlog, maar pacificatie. Deze versluierende term moest verhullen dat het daadwerkelijk om militair optreden ging. Dat het museum de acties ‘oorlog’ noemt, is niets minder dan een kanteling in de geschiedenis. Directeur Pauljac Verhoeven, samensteller van Oorlog!, zegt hierover: „Als museum is het niet onze taak om sympathie te wekken, maar om de context te geven zodat de bezoeker in staat is om zelfstandig tot een afgewogen oordeel te komen.”

De expositie toont de tastbare bewijzen van dit militaire ingrijpen, waaronder confronterende foto’s van acties van Nederlandse militairen die met tanks door de sawahs gaan, wapens, uniformen, onderscheidingen, pamfletten en stafkaarten. Op een affiche zien we de rood-wit-blauwe vlag die neergehaald wordt, een gebroken kroon ernaast en de begeleidende tekst: „De vlag gaat neer in Indië. Wilt gij dit?” Het affiche werd verspreid door het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid. Suggestief getekende bruine vingers halen als een klauw de trotse driekleur neer en verfrommelen die.

Nederland was verarmd en gedemoraliseerd uit de Tweede Wereldoorlog gekomen. In de roes van de bevrijding en het verlangen naar krachtdadige wederopbouw waren de gelden uit de kolonie onmisbaar; meteen na de bezettingstijd richtte ons land zich op herstel van het koloniale gezag. Dat bleek een illusie. Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta de zelfstandige Republik Indonesia uit. Nederland reageerde als gebeten en zond een leger uit, gesecondeerd door imposant oorlogsmaterieel.

De strijd zou bijna vijf jaar duren. Nederlanders werden, na de Japanse bezetting van Indonesië, niet binnengehaald als de vertrouwde blanken maar als vijanden. In het machtsvacuüm dat was ontstaan na de overgave van Japan greep de vrijheidsdrang van het Indonesische volk om zich heen. Het Nederlandse leger stuitte op intens gewapend verweer.

Nederland toonde in propagandafilms en op foto’s uitgemergelde Indonesiërs, brandende huizen en intense armoede – als erfenis van de Japanse bezettingstijd en als gruwelijk toekomstbeeld van de Indonesische onafhankelijkheid, als ‘wij’ er niet meer waren om rust en orde te bewaken. De Politionele Acties eisten 5.000 doden aan Nederlandse zijde en 150.000 doden aan Indonesische zijde. Maar Nederland wenste niet te wijken. „Het woord abandonneren komt in mijn vocabulaire niet voor”, verklaarde minister Van Maarseveen van Overzeese Gebiedsdelen nog op 18 februari 1949, kort na de Tweede Actie.

De internationale opinie en de voormalige bondgenoten van het Aziatische strijdtoneel, Amerika en Groot-Brittannië, keerden zich tegen Nederland en verklaarden zich voor de Indonesische vrijheidsstrijd. Amerika dreigde de Marshallhulp in te trekken als Nederland doorging met vechten. Nederland moest Indië verlaten en erkennen dat het land een zelfstandige natie werd. De wederopbouw moest plaatsvinden zonder geld uit de koloniën.

Het militaire optreden had, ongewild, een traumatisch effect voor duizenden landgenoten, zowel de totoks, de volbloed blanken, als de Indische Nederlanders. In enkele migratiegolven kwamen ze uit Indonesië naar Nederland, nog altijd dromend over terugkeer en herstel van de oude banden. De repatrianten van het eerste uur probeerden zich in stilte aan te passen, te assimileren, hoewel de woede op de Nederlandse regering die Indonesië verkwanselde er niet minder om was.

Volgens historicus Wim Willems, auteur van De uittocht uit Indië (2004), „tekende het de naoorlogse tijd dat vele tienduizenden mensen hun hoop op terugkeer zagen vervliegen”. Het straffe rekolonisatiebeleid van de Nederlandse regering heeft volgens Willems de geleidelijke weg naar onafhankelijkheid in de weg gestaan: „Nederland hoorde bij Indië of Indië hoorde bij Nederland, bij ons, was nog altijd de gedachte. Maar in de zwarte decembermaand van 1957 verwittigde Soekarno alle Nederlanders dat ze voor 1 januari het land verlaten dienden te hebben. Dat had niemand verwacht. Indonesiërs gingen over tot zelfbestuur, en daar kwam geen Nederlander aan te pas, ondanks eindeloze diplomatieke onderhandelingen die volgden op de strijd.”

Het was in de ogen van Nederlanders destijds een goede oorlog. En toen klonk in 2010 een heel ander geluid. Minister Bot van Buitenlandse Zaken verklaarde dat het een „vuile oorlog” was en dat Nederland „aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond”. Op zijn gezag erkent Nederland alsnog 15 augustus als dag van Indonesische onafhankelijkheid.

De geschiedenis is 180 graden gedraaid, zoals ook de expositie Oorlog! bewijst. De jaren van wederopbouw in Nederland gingen gelijk op met een grootscheepse dekolonisatieoorlog in de Oost. Voor de duizenden en nog eens duizenden mensen die banden hebben met de voormalige kolonie is wederopbouw een synoniem voor het einde van Nederlands-Indië.