De verborgen cijfers van een grote stad

In welke straat in New York worden de meeste parkeerboetes uitgedeeld? Welke buurt is het luidruchtigst? Ben Wellington vlooit door data die de gemeente sinds kort moet vrijgeven.

Foto´s Thinkstock en Bloomberg

Een belangrijke financiële melkkoe van de gemeente New York stond tot voor kort aan het Sara D. Roosevelt Park, tegenover het appartementencomplex op 152 Forsyth Street in Manhattan. Op het trottoir staat daar een brandkraan. Voor die kraan mogen auto’s niet parkeren, maar mensen dachten dat het wél mocht. Er léék namelijk een parkeerplaats op de weg ingetekend. Het leverde de stad jaarlijks 33.000 dollar aan parkeerboetes op.

Totdat statisticus Ben Wellington er op 2 juni 2014 over schreef in zijn blog I Quant NY. Twee maanden later waren er schuine strepen op de weg aangebracht, teken van een parkeerverbod.

Wellington heeft nog veel meer ontdekt in zijn stad. Waar de meeste fietsongelukken gebeuren, waar zich het netste fast food restaurant bevindt, waar de luidruchtigste buurt ligt. Hij doet dat op basis van het digitaal platform NYC Open Data, een initiatief van voormalig burgemeester Michael Bloomberg. Die tekende in 2012 een wet die lokale overheidsinstanties verplicht hun gegevens te delen met het publiek. Het is dé manier om de potentie van de ‘smart city’ waar te maken: een slimme stad waar technologie en big data het leven van burgers verbetert.

„Ik kijk naar de dingen waarmee New Yorkers dagelijks te maken hebben en probeer de wiskunde daarachter te verhelderen. Werken dingen goed of kunnen ze verbeterd worden?”, vertelt Wellington in een knus restaurant in het hartje van SoHo.

Neem de kwestie van de metrokaartjes. Het frustreerde Wellington enorm dat hoeveel geld je ook op je kaartje zette, het bedrag na een x-tal ritten nooit op 0,00 dollar uitkwam. Een ritje kost 2,50 dollar (inmiddels 2,75). En je komt niet door de poortjes met een kaartje waarop nog 2,45 staat. De kaartautomaten prezen op hun scherm vooral de tickets van 9, 19 of 39 dollar aan. En de gemeentelijke vervoersdienst, de Metropolitan Transportation Authority (MTA), deed daar nog een kleine bonus bovenop – respectievelijk 0,45, 0,95 en 1,95 dollar. Gevolg was dat toeristen en forenzen altijd een bedrag op hun kaarten overhielden (1,95, 2,45 of 0,95 dollar). Volgens The New York Times zorgde ongebruikt metrotegoed in 2012 voor 95 miljoen aan extra inkomsten voor de MTA. „Dat is toch belachelijk”, zegt Wellington terwijl hij een hap van zijn broodje neemt. „Als je twee appels in de winkel wilt kopen, dan betaal je voor twee appels. Je legt niet een bepaald bedrag neer en krijgt anderhalve appel.”

Gelukkig bieden de apparaten van MTA ook een mogelijkheid om metrokaarten op te waarderen, met een zelf te bepalen bedrag. Wellington berekende op zijn blog welke bedragen het beste waren om zo dicht mogelijk bij nul te komen. Het verhaal verspreidde zich viraal over het internet. Opnieuw met succes: de MTA plaatste een rekenmachine op het scherm van hun apparaten.

E-mails van de burgemeester

Behalve New York doet inmiddels ook de gelijknamige staat mee aan het open data initiatief. Net als andere Amerikaanse steden. Zo kunnen inwoners van Gainesville in Florida zelfs de e-mails van de burgemeester lezen. Transparantie ten top. Onder president Obama lanceerde de federale overheid de website FOIAonline, waar behandelde ‘Wob’-verzoeken terug te vinden zijn.

Ook landen als Argentinië, Japan en het Verenigd Koninkrijk publiceren (lokale) data. En in Nederland doet Amsterdam het. Via het portaal Amsterdam Open Data kunnen burgers datasets vinden van bijvoorbeeld afvalcontainers in de stad en, met enige Excel-ervaring, kunnen ze die bijvoorbeeld afzetten tegen de verkiezingsstatistieken per stembureau. Al deze initiatieven helpen de open data movement om het beleid van overheden op nieuwe manieren in beeld te brengen én te toetsen.

Dat laatste probeert Wellington niet te doen, zegt hij. Zijn vrouw werkt als planoloog voor de gemeente. Hij blijft daarom liever apolitiek – hoewel hij allerlei tekortkomingen van publieke diensten aan het licht brengt.„Ik geloof niet zo in het spelen van waakhond. Samenwerken met lokale overheden vind ik belangrijker. Ik wil laten zien dat er goede dingen kunnen ontstaan als gegevens vrijgegeven worden.”

Wasserettes

Wellington werkt overdag als analist bij de investeringsmaatschappij Two Sigma Investments, een paar straten verwijderd van het restaurant. ’s Avonds geeft hij statistiekles op privé-universiteit Pratt Institute in Brooklyn. Daar onderzoekt hij met studenten onder andere of opwaardering van buurten zorgt voor het verdwijnen van wasserettes (waarschijnlijk niet) en wanneer het spitsuur is in New York (altijd, behalve om 5.18 uur).

Tijdens zo’n college is duidelijk te zien dat hij statistiek aardig en zelfs cool maakt. Omringd door computers in een klinisch wit-grijs practicumlokaal geeft hij zeven studenten uitleg over correlaties en hypotheses. Iedereen die ooit statistiekles heeft gehad, weet hoe saai en abstract dit kan zijn. „Het is toch veel leuker om over toegepaste statistiek te leren?”, zegt Wellington. „In plaats van verzonnen oefensommen kijk je naar data van interacties tussen politie en burgers, gezondheidsinspecties van restaurants of parkeerboetes.”

De geanimeerde Wellington – hij doet ook aan stand-upcomedy – bespreekt met wilde handgebaren en een innemende glimlach het huiswerk van de afgelopen week: bestaat er een verband tussen het salaris van New Yorkse ambtenaren en de lengte van hun dienstverband? (Niet echt.) De resultaten van de sommen komen weer op zijn blog terecht.

Geen taxi

Op die blog bewees hij onlangs dat er volgens de New Yorkse wijsheid inderdaad tussen vier en vijf uur ’s middags bijna geen taxi te krijgen valt, vanwege de dagelijkse dienstwisseling. Ook onthulde hij dat door het gebruik van twee betaalsystemen de helft van de reizigers goedkoper uit was door een verschil in tarieven. „Dat is opgelost door alle tarieven omhoog te halen. Jammer, maar het is nu wel eerlijker.”

Graag richt de statisticus zich op grote zaken als criminaliteit en brandveiligheid. Hoe verhoudt het aantal branden zich tot klachten over geluidsoverlast? Bellen mensen in die gebouwen veel naar de gemeentelijke klachtenlijn? „Eventuele verbanden zouden inspecteurs kunnen helpen ongelukken te voorkomen.”

Maar die cijfers worden nog niet vrijgegeven, ondanks de beloftes van het stadsbestuur. Dat kan alleen maar een politieke oorzaak hebben, wil Wellington na enig aandringen terughoudend beamen. Dat is jammer, want het zou naast het veiliger maken van de stad ook een goede toevoeging zijn voor het boek dat hij nu schrijft. Wellington kan niet wachten tot hij met dat soort cijfers aan de slag kan. „Ik heb al de manier veranderd waarop we voor metro’s en taxi’s betalen. What’s next?”, lacht de statisticus met geveinsde arrogantie.