Column

Camping

Georgina Verbaan

Op de loopband van Schiphol werd ik al geconfronteerd met mijn onvermogen om te gaan met De Lethargische Vakantiemens. In tegenstelling tot waar het woord loopband toe uitnodigt, wordt er op deze installatie zo snel als mogelijk is stilgestaan. Naast elkaar, met de buiken vooruit, hangende schouders en een blik die zegt ‘het zal mij benieuwen’.

Het vooruitzicht op tijdwinst door er lekker de pas in te houden op het bewegende voetpad, of de prettige illusie van superkrachten zullen deze vakantiemens worst wezen. En omdat de lethargische vakantiemens zich niet verdiept in hoe anderen zich eventueel zouden kunnen willen verplaatsten, posteert hij zijn handbagage naast hem zodat passeren onmogelijk is. Dikke rijen apathische lijven in hemdjes met teksten in fluorescerende kleuren erop die zich stilstaand voortbewegen, al dan niet voorovergebogen over een telefoon of tablet; the future is now.

Het was op dit moment dat ik mijn boeking had moeten herzien. Vijf uur later kwamen vriend P., Die Korte en ik namelijk aan op wat op plaatjes en het afschrift van mijn creditcard een resort leek, maar een camping was. Het houten huisje, omringd door palmbomen met een veranda met uitzicht op zee, bleek een caravan met hout betimmerd die uitkeek op de veranda van de volgende caravan met hout betimmerd. Als je een studie zou willen maken van het eetgedrag, de frequentie van defecatie en de paringsdrift van vakantievierende Hollanders, dan is huisje 1552 op Camping Prairies de la Mer een uitstekende observatiepost. Maar als je, daarentegen, specifiek geïnteresseerd bent in de natuur van de tijdelijke bewoners van huisje 1552, is elk huisje in de ring rondom 1552 meer dan perfect. Niets zal u ontgaan. Ik vermoed dat een computersysteem alle Nederlanders op een hoop veegt, omdat men ervan uitgaat dat alle Nederlanders daarvan houden.

Maar uiteindelijk had de buurman – die ons vroeg of we het erg vonden dat hij op ons terras plaatsnam toen hij zich al met een Bacardi-cola in de hand liet zakken in een onzer stoelen, terwijl hij voor dit gesprek prima op zijn eigen terras twee meter verderop had kunnen blijven zitten – natuurlijk gelijk toen hij vroeg wat we ‘op een camping moesten’ als ‘jullie zo op julliezelf zijn?’

„We hadden niet beseft dat het een camping was. Stom”, had ik bedremmeld geantwoord terwijl ik in de gaten hield waar de vellen die hij net van zijn rode neus had getrokken en van zijn vingers had geschoten naartoe dwarrelden. Inmiddels denk ik dat ik, wanneer ik hier een loopband zou ontwaren er ook op zou stappen, om stilstaand af te wachten waar hij me naartoe zou brengen.