Bratwurst

De Tour heeft een Hollands kleurtje. Robert Gesink en Bauke Mollema reden op Plateau de Beille als duo naar de meet. De eerste was lek gereden, de tweede kon even niet mee na een versnelling van de favorieten. Ik verwachtte dat ze elkaar een klaphandje zouden geven bij het overschrijden van de aankomst, maar nee, daar doen Nederlanders niet aan. Jammer, want zo’n gebaartje van instant broederschap transcendeert snot en labeur. Noorderlingen met bijna hetzelfde accent die elkaar na een verbeten achtervolging even aantikken – het is sociale flair, geen vunzigheid. Renners zijn schaamte voor rituele intimiteit inmiddels ontgroeid.

Beide klimmers gloriëren in de toptien van het klassement. Onverwachte luxe, hartverwarmend. Nu nog etappewinst en het Nederlandse cyclisme kan het armeluizenjuk van zich afwerpen. Het zou de pijn van Tom Dumoulin verzachten. En als late dankzegging gelden voor de smetteloze organisatie van de Grand Départ in Utrecht. Paukenslag van goedaardige trots.

Nederlandse steden krijgen de ene na de andere etappe in een grote ronde toegeworpen. Het is een vorm van Europeanisering die je na de grimmige euroscepsis van Mark Rutte niet verwacht. Maar misschien is het gewoon de wind die als Vadertje waaier de organisatoren zo verlekkerd. Ik heb ook al schilders en schrijvers gehoord die Neeltje Jans als werkplek dromen.

De Tour zit muurvast, is de tussentijdse conclusie. Alleen de strijd om het podium telt nog. In de Pyreneeën gooiden Chris Froome en zijn meesterknechten Richie Porte en Geraint Thomas hun ijzeren klemmen over de schijn van avontuur. De Welshman overblufte zelfs zijn kopman op Plateau de Beille. Hij reed alles dicht met een trapfrequentie hoger dan die van Lance Armstrong destijds. Luttele jaren geleden was Thomas nog een renner voor semiklassiekers. Ineens vliegt hij de bergen op als geboren klimmer. De transformatie is even compleet als verdacht. Froome heeft al gezegd dat hij Thomas in Parijs mee op het podium wil. Tja… In het wielrennen bestaat het nog, de maakbare mens. Wel gek dat het juist de superkapitalisten van Team Sky zijn die deze existentiële pretentie willen invullen.

Insinuaties zijn altijd intellectueel armoedig. En allicht is Team Sky de wetenschap in tal van wielerdisciplines ver vooruit. Maar dan nog klopt er iets niet. Mijn houvast in geloof, hoop en liefde is ploegleider Servais Knaven. Ik kan me niet voorstellen dat deze ingetogen kerkganger met injectienaalden en bloedzakjes staat te prutsen. Servais is van gemoedelijkheid en intuïtie, niet van wetenschap. Ik sprak hem in de Dauphiné en nog steeds ligt er over de ex-winnaar van Parijs-Roubaix een waas van pudeur voor steile retoriek. Niets aan hem verwijst naar de experimentele moraal van een parvenuploeg. Zijn epicentrum blijft het schuurtje, niet een met marmer belegde camper.

De Tour is niet leeggebloed aan de suprematie van Sky. Er zijn andere sensaties die de Ronde kleur en cachet geven. De pikante strijd om het groen tussen André Greipel en Peter Sagan bijvoorbeeld, tot in de tussensprints. Greipel is een renner om lief te hebben. Zuiver in de sprint. Nederigheid te koop. Deze week was hij jarig. Wat hem zou plezieren, vroeg de kok. „Bratwurst”, fluisterde de gorilla.

Even ontroerend is het nieuwe spreken van Robert Gesink. Nieuwe benen, nieuwe woorden. Hij klimt weer als de beste en zo spreekt hij ook na de etappe. Verademend zelfvertrouwen. In de plaats van een norse stotteraar is nu een spitse man aan het woord. Geen ruwbouwzinnen op krukken, geen triomfalisme, sereen en bedachtzaam.

Om het aanschijn van geluk te zien, moeten we nu in de ogen van Robert Gesink kijken.