Adieu ijsbeer. Het is voorbij, door die lange warme zomers

De ijsbeer wordt sloom. De zomer wordt te lang om te teren op zijn favoriete maal, de rob. Een zomerslaap zou helpen, maar daar begint hij niet aan. Dit bedreigt zijn voortbestaan.

illustratie pleix

IJsberen worden als soort bedreigd door de steeds langere Arctische zomer. Dat vrezen ijsbeeronderzoekers. In Science publiceerde een Amerikaans onderzoeksteam gisteren metingen waaruit blijkt dat ijsberen hun stofwisseling in schrale periodes niet in een soort ‘winterslaap’-stand zetten. De ijsberen lijden gewoon honger en vallen af, denken de biologen.

IJsberen eten niet het hele jaar door. Nadat ze in het voorjaar wakker worden uit hun échte winterslaap en de jongen geboren zijn, staan ze voor een belangrijke taak: robben vangen. In april en mei werpt de voornaamste voedselbron van ijsberen, de ringelrob, zijn jongen. De pups van de ringelrob zijn onwetend en dik – ze bestaan voor de helft uit vet. Ze liggen op het ijs, waar hun ouders liggen te ruien.

Dat is het moment voor de ijsberen om heel veel robbenvet te eten. Biologen schatten dat ijsberen in die twee maanden tweederde van hun energie voor het hele jaar opdoen. Als het zeeijs vervolgens smelt en de robben het water opzoeken, wordt de jacht schraal voor ijsberen.

Vogels en eieren als noodrantsoen

Maar de voedselrijke lenteperiode wordt korter. Door de opwarming van het noordpoolgebied breekt het zeeijs in de lente steeds vroeger op, en komt in de herfst later terug.

Dat voltrekt zich in hoog tempo: ieder jaar wordt het ijsseizoen in de noordpoolgebieden waar ijsberen leven, 1 à 2 dagen korter. Opgeteld was de arctische zomer in 2013 5 à 10 weken langer dan in 1979, afhankelijk van het gebied.

In de Barentsz-Zee rond Spitsbergen, waar een van de grootste populaties ijsberen leeft, is de afname zelfs 20 weken. IJsberen in dat gebied lijken op ander voedsel over te schakelen, beschreven Nederlandse onderzoekers eerder dit jaar: ze komen steeds vaker op de eilanden om vogels te eten.

In de zomer, tussen augustus en oktober, is er voor ijsberen sowieso weinig voedsel. In de Hudsonbaai in Canada (aan de zuidelijke grens van het ijsberengebied) vallen de beren 850 gram af, maten onderzoekers ooit. „In de zomer smelt de baai helemaal, de beren komen aan land en sommigen eten dan helemaal niet”, legt onderzoeker John Whiteman uit. „Andere beren eten eieren, menselijk afval of planten. Qua calorieën is het niks, vergeleken met zeerobben”, hun gebruikelijke dieet. Biologen die de dieren in de Hudsonbaai observeerden, vonden ze „lethargisch”. Dat zou een aanpassing kunnen zijn. Uit bloedtests hadden zij destijds afgeleid dat de ijsberen hun stofwisseling op een laag pitje zetten, om de schade nog wat te beperken.

Maar dat klopt niet, concluderen nu Whiteman van de University of Wyoming en collega’s. In een noordelijker ijsbeergebied, de Beaufortzee aan de noordkust van Alaska, implanteerden ze thermometers in de buik en onder de huid van 17 wilde ijsberen. „Het was een uitdaging, maar die operaties konden we in het veld doen.” Deze en acht andere ijsberen kregen bovendien een halsband met een zender, om hun gangen na te gaan.

Slome beren, maar slapen ho maar

En inderdaad, de dieren werden tamelijk lethargisch. Ze waren minder actief dan in de lente, en veel slomer dan andere berensoorten. Maar energiebesparende ‘zomerslaap’? Nee. De temperatuur van de vier beren waarbij dat het hele seizoen gemeten werd, daalde slechts 0,7 graad Celsius. De biologen denken dat hun energiebesparing marginaal is: 0 tot 20 procent.

Wat dat betekent voor de ijsberen, weten de biologen niet. Op het eerste gezicht lijkt alles in orde: in oktober waren de vier beren zwaarder dan begin mei. Toch vermoedt Whiteman dat ze in tussentijd zijn afgevallen – nadat ze eerst nog dikker waren geworden. „We denken dat ijsberen in de Beaufortzee ook voedsel tekort komen in de zomer, al profiteren sommige van de walviskarkassen.” Die liggen daar omdat de Inuït erop jagen.

Het is tekenend voor de toestand van het ijsberenonderzoek: veel ongerustheid, maar ook veel witte vlekken. De meeste gegevens komen uit de zuidelijke gebieden – die het best toegankelijk zijn, maar ook het kwetsbaarst.

Van de 19 ijsbeerpopulaties, met samen 20.000 à 25.000 dieren, zijn er maar 7 voldoende onderzocht om iets te kunnen zeggen over de toestand van de populatie, vergeleken met 1990. Er zijn zelfs gebieden waar het aantal ijsberen nooit geteld is. En er zijn populaties die, ondanks de afname van het zeeijs, op peil blijven.

Whiteman: „Als het ijs smelt, verwachten we negatieve gevolgen. Soms hebben we die waargenomen. Maar soms ook niet. Het noordpoolgebied is overal anders. We hebben gegevens nodig over alle populaties. Maar het is ver weg, en gevaarlijk.”