Zeven dagen, zeven boeken

Schrijver Auke Hulst daagde zichzelf uit en las een week lang elke dag een boek.
 
Auke Hulst. Afbeeldingen NRC/Anouk Eigenraam

Er was een tijd dat ik een boek per dag las. Misschien niet elke dag, maar toch zeker drie, vier in de week. Ik las ze in bad, in bed, of op een matras dat ik naar het bos achter ons huis had gesleept; ik las ze in een tent, in een lekkende caravan of achterin de auto. Ik maak geen excuses voor het soort boeken dat het betrof: sciencefiction-romans van wisselend allooi, een verdwaalde F. Springer, alles van Kurt Vonnegut. Boeken die ik bovendien herlas, soms wel tien keer. Zolang een roman de grens van de tweehonderdpagina’s in acht nam – en dat deden de meesten – was het goed te doen, zelfs met aftrek van alle uren die ik, onder stilzwijgend protest, vergooide op de middelbare school.

Inmiddels is lezen mijn werk, en toch lees ik beduidend minder dan in mijn puberjaren. Deadlines zitten me in de weg, internet zit me in de weg, maar ook boeken zelf nodigen minder uit. De keren dat een roman nog het stof uit mijn hoofd veegt, zijn schaars geworden. Ik heb de indruk dat de meeste zouden opknappen van wat nip and tuck. Wordprocessorproza. Maar misschien, ik hoop het niet, begint literatuur me gewoon te vervelen.

Om deze en andere redenen besloot ik mezelf uit te dagen. Lees elke dag een dun boek en reflecteer zowel op die boeken als het proces.

Zo’n opdracht vergt bakens. De uitgave mocht niet omvangrijker zijn dan honderdvijftig pagina’s en moest in Nederlandse vertaling beschikbaar zijn in een goed gesorteerde boekhandel. Bij voorkeur zeven boeken uit evenzoveel taalgebieden. Ik las ze op opeenvolgende dagen, en mijn bevindingen moesten gedurende de leesweek op schrift worden gesteld: uit de heup geschoten notities, met hopelijk wat voltreffers tussen de losse flodders. Geen recensies, maar een persoonlijke reactie op wat ik las, een natuurlijke manier van lezen, zo ontdekte ik, die onder druk komt te staan wanneer je recenseert. Lezen als zelfportret.

Maandag 

Een hedendaagse recensent zou in een bespreking van Leopold von Sacher-Masochs Venus in bont (1870) waarschijnlijk beginnen over Fifty Shades of Grey. Hoe kan het ook anders? De Oostenrijkse schrijver is de aartsvader van het masochisme, wat alles te maken heeft met deze sterk autobiografische roman over de dweepzieke Severin, die geheel vrijwillig de slaaf wordt van zijn Venus in bont, de edele Wanda von Dunajew. Er zou iets gezegd moeten worden over het ontbreken van expliciete seks, afgezien van een enkele ontblote borst, waardoor de aanwezigheid van seks juist pregnanter wordt. Maar vooral zou er geconcludeerd moeten worden dat Von Sachor-Masoch de psychologische dynamiek van de sado-masochistische relatie veel beter blootlegt dan zijn pornografische nakomers.

Maar ik voelde me vooral betrapt.

Laat me dat uitleggen. Ik heb geen zweep of handboeien in mijn nachtkastje – ik heb niet eens een nachtkastje – noch ben ik een liefhebber van bijten en slaan, een speelse tik daargelaten. Het sado-masochistische in een relatie hoeft niet per se seksueel van aard te zijn; meestal niet zelfs. Ik voelde me betrapt omdat Von Sacher-Masoch een karakterzwakte blootlegt die ik herken van jaren terug, toen ik me met liefde liet ringeloren door een wispelturige schoonheid, die ik wanhopiger begeerde naar mate ze vaker oorlog met me voerde. (Ik lokte de oorlog misschien zelfs onbewust uit.) Het wrange was: hoe instabieler de relatie, hoe beter de seks. Er is pijn waaraan je verslaafd kan raken, zeker als die pijn een verbond aangaat met genot.

Severin, zegt ergens: ‘Er is niets wat de man meer prikkelt dan het beeld van een mooie, wellustige en wrede despote, die haar gunstelingen inwisselt zoals haar dat uitkomt, hoogmoedig en nietsontziend.’ Hij is iemand die het onheil over zich afroept, en dat eigenlijk ook wil. Iemand met die vreemde combinatie van opgeblazen ego en gebrekkige eigenwaarde, karaktertrekken die meer met elkaar te maken hebben dan hun tegenstrijdige definities suggereren.

Wat me ook aan het denken zette: Wanda is niet van nature een despote, maar ze wordt het omdat Severin haar dat pad wijst. ‘De slagen vielen snel en opeenvolgend, met ontzettende kracht op mijn rug, mijn armen, mijn nek; ik beet mijn tanden op elkaar, om het niet uit te schreeuwen. Nu trof ze me in het gezicht, het warme bloed stroomde over mij heen, maar ze lachte en ranselde voort. ‘Nu begrijp ik je pas,’ riep ze ondertussen, ‘het is werkelijk een genot, om een mens zo in je macht te hebben en al helemaal een man die me liefheeft – je houdt toch van me? – is het niet – O! Ik scheur je nog aan stukken, zo groeit mijn plezier bij iedere klap; krom je nog een beetje, schreeuw, kerm! Bij mij zul je geen genade vinden.’’

Zelfs nadat Wanda het met een ander heeft aangelegd en Severin geprobeerd heeft zich te verdrinken in de rivier, staat hij toch weer voor haar, hulpeloos.

‘‘O, je hebt geen geld,’ riep ze, ‘daar!’ en ze gooide met een onnoemelijk geringschattend gebaar haar beurs voor mijn voeten.

Ik pakte hem niet op.

We zwegen allebei geruime tijd.

‘Wil je dus niet weg?’

‘Ik kan niet.’’

Ik kan niet… Dat is het. De onmacht van de verslaafde, de gegijzelde.

Maakt het uit of je je fysiek of mentaal laat afranselen? En wiens schuld is die afranseling, als je keer op keer terugkomt voor meer?

Schitterend boek, overigens.

Dinsdag

‘Melancholie = een zonde,’ zo schreef Tommy Wieringa me ooit. Dit was in 2005, denk ik. We hadden elkaar jaren eerder leren kennen bij het huwelijk van de hoofdredacteur van een inmiddels ter ziele gegaan tijdschrift, en ons de hele receptie afzijdig gehouden – die receptie vond plaats bij een kasteeltje in het Gooi, met bijpassend publiek dat ons voorkwam als buitenaards. Later ontdekten we een zekere verwantschap – curieuze moeders, gedeelde verjaardag – maar ook een wezenlijk verschil in levenshouding. Tommy had zich een beeld van mij gevormd en daar dus een oordeel aan verbonden, zoals mensen doen.

Ik zie in dat oordeel een bezwering: in de aanwezigheid van duister steke men het lampje van de levenslust op. Het lampje verdrijft de duisternis niet zozeer, maar ontkent haar, wat niet hetzelfde is. Sterker: de duisternis verdiept door haar ontkenning. De duisternis is alleen.

Achteraf bleek dat ik indertijd depressief was, door de combinatie van aanleg en omstandigheden, waaronder de nog prille vechtrelatie waaraan Venus in bont al herinnerde. Dat is voorbij, maar ik neig nog steeds naar somberheid en stemmingswisselingen.

Het verklaart ongetwijfeld waarom William Styrons Het duister zichtbaar (1990) me trok, een dapper boekje, waarin de schrijver van Sophies keuze probeert zijn eigen, veel ernstigere, zelfs levensbedreigende depressie tastbaar te maken. Geen eenvoudige taak, want: ‘Een depressie is een verstoorde geestgesteldheid die zo raadselachtig pijnlijk is en die zich zo ongrijpbaar aan het zelf – het intellect dat als bemiddelaar optreedt – manifesteert, dat het grenst aan het onbeschrijfelijke. Het blijft daardoor vrijwel onbegrijpelijk voor mensen die zoiets niet in extreme vorm hebben ondergaan, hoewel de zwaarmoedigheid, de melancholie die mensen van tijd tot tijd voelen en toeschrijven aan de algemene strijd om het dagelijkse bestaan, zo vaak voorkomt, dat velen wel enig idee hebben van de ziekte in haar rampzalige vorm.’

Het trof me dat Styron zich verzet tegen het woord depressie, en liever van klassieke melancholie spreekt. Melancholie, schrijft hij, zou nog steeds ‘een veel geschikter en beeldender woord zijn voor de zwartere vormen van de aandoening, maar het werd vervangen door een zelfstandig naamwoord met een karakterloze klank en zonder enige autoriteit, dat willekeurig wordt gebruikt om een geestelijke of economische instorting te beschrijven, een echt flutwoord voor zo’n ernstige ziekte.’

Zou Styron – die later alsnog een einde aan zijn leven maakte – geweten hebben dat melancholie als zonde kan worden gezien?

De schrijver duikt diep in de symptomen van de ziekte: verwarring, gebrek aan concentratie, geheugenverlies en uiteindelijk ‘een alles overheersende anarchistische onthechtheid’. Er is fysieke pijn die anders is dan gangbare fysieke pijn; er is de onvolledige rouw in de kindertijd als mogelijke oorzaak – ik denk dan automatisch aan mijn vader, die overleed op de vooravond van mijn achtste verjaardag, en aan mijn bijna onbewogen reactie daarop. En het gaat in De duisternis tastbaar veel over zelfverachting, een algemeen gevoel van waardeloosheid. Styron noemt ook dat een verschijnsel van de ziekte, maar ik vermoed dat zelfverachting de ziekte juist vooruitsnelt. Ze legt er een bodempje voor.

In de kantlijn noteerde ik dit: voor een schrijver is een neiging tot zelfverachting extra toxisch, want er toont zich altijd wel iemand bereid publiekelijk te onderstrepen dat die zelfverachting legitiem is. Dan hebben we het dus ook weer over masochisme, want een schrijver zoekt het gevaar op door te publiceren.

Ook noteerde ik dit: hoeveel mensen zijn al over de rand geduwd door de ongenadige sociale media?

 

Woensdag

Ik kom nu elke dag in de boekhandel met het voornemen mijn leesvoer voor die dag te kiezen. Mijn regels compliceren de zaak, maar dat niet alleen. Twee boeken die ik in gedachten had, blijken juist deze week uitverkocht en in herdruk: Jean Echenoz’ 14, waarover ik vertaler Martin de Haan bevlogen hoorde spreken in een literair tv-programma, en Stijloefening van Raymond Queneau. Het boek dat ik uiteindelijk koop is te dik, en zal ik dus op later datum lezen. Of niet. Gelukkig heb ik de buit van gisteren nog.

Dat is De heilige van de berg Koya, een klassieke Japanse novelle uit 1900, geschreven door Kyoka Izumi. Het is uitmuntend vertaald door Jos Vos en prachtig uitgegeven door Coppens & Frenks – prettig dik papier, een hardcover met subtiel groen stofomslag waarop een pelgrim door een Japans woud wandelt. De uitgever heeft onlangs laten weten ermee te stoppen; er is te weinig publiek voor hun uitgaven, die daardoor ook aan de dure kant zijn. Het boekje krijgt zo onbedoeld iets van een elegie.

Het eerste wat me treft: De heilige van de berg Koya nodigt uit tot traag lezen. Het is een duister sprookje over een monnik die een weinig gebruikt pad door een woud kiest, ontberingen ondergaat (slangen! bloedzuigers!), en uiteindelijk aankomt bij het huis van een bekoorlijke vrouw en de idioot voor wie ze zorgt. De monnik laat zich bijna door haar betoveren, zoals alle dieren waarmee ze zich omringt betoverde mannen blijken te zijn. Weer die machtsverhouding man-vrouw, met de man als de onmachtige.

Toch is dit niet een werk waar ik op heel persoonlijk niveau contact mee kan maken. Wel raakt het aan mijn fascinatie voor Japanse geschiedenis en het bovennatuurlijke in de Japanse literatuur. Het is opmerkelijk hoe de vanzelfsprekendheid van dreigend natuurgeweld – in dit boek een overstroming die een dorp wegvaagt – die literatuur gevormd heeft, zoals de Amerikaanse literatuur gevormd is door de vanzelfsprekendheid van het vuurwapen. En de Nederlandse, denkt de cynicus in mij dan, door de vanzelfsprekendheid van de Navel, de Oorlog en de Grachtengordel.

Slow reading maakt me ervan bewust dat ik door de jaren steeds gejaagder ben gaan lezen. Zoals ik ook teksten op een scherm scan, waardoor ik soms op mijn schreden terug moet keren – de tekst is gezien, maar niet geregistreerd. Wat ik mis is een bad, zoals ik vroeger had; de ideale locatie om je af te sluiten van de wereld en je op te sluiten in een boek. In gesprek raken met een tekst vereist stilte.

Ik sta niet alleen in die veranderde manier van lezen. Gisteravond was mijn vriendin al na een paar pagina’s Nescio in slaap gevallen. Ze heeft een spitse neus die dan tussen de dichtgevallen pagina’s klem komt te zitten, wat me vertedert. Vanochtend zei ze: ‘Heel irritant, maar ik kan de concentratie niet meer opbrengen.’

Nu ik een paar dagen achtereen een klein boek lees, het liefst in één ruk, waardoor ik ononderbroken in de schijnwerkelijkheid verkeer, merk ik dat mijn concentratievermogen terugkeert. Is dat omdat ik wen aan het dagelijkse ritme van lezen, dat ik ken van vroeger, of omdat deze boeken heuvels zijn, en niet besneeuwde pieken die vermoeide klimmers angst inboezemen? Ik ben er nog niet uit.

Donderdag

Enige tijd terug was ik in Zuid-Korea, en zoals ik gewoon ben in den vreemde ging ik een boekhandel binnen om te zien wat daar zoal te koop is. Het meeste bleef abracadabra voor me, maar één boekje sprong eruit, zowel in het Koreaans als in de Engelse vertaling: een kinderboek van Sun Mi-Hwang dat twee miljoen exemplaren had verkocht en ook onder volwassenen een hit was. De Engelse uitgave was prachtig vormgegeven en behangen met ronkende aanbevelingen van onder andere Pulitzer Prize-winnaar Adam Johnson. Een Nederlandse vertaling van dit in 2000 verschenen boekje was op handen, ontdekte ik, en onlangs werd het me door de uitgever toegezonden. De kip die dacht dat ze kon vliegen.

Ik heb weinig kinderboeken gelezen in mijn leven – voor mijn twaalfde las ik vooral strips, daarna maakte ik de stap van Guust Flater naar de sciencefiction van Robert Heinlein, Philip K. Dick en Jack Vance. Geen Thea Beckman voor mij, noch de Kameleon.

Naarmate mijn leesdieet zich ontwikkelde, ontdekte ik een voorkeur voor stem boven plot. Helaas wist dit boek mijn vooroordeel dat kinderboeken zowel qua taal als constructie nogal schematisch zijn, niet weg te nemen. Let wel, ik snap de universele aantrekkingskracht van De kip die dacht dat ze kon vliegen: het gaat over Spruit, een legkip die geen eieren meer wil leggen, zolang ze er niet zelf eentje mag uitbroeden. Ze weet te ontkomen aan haar hok en zelfs aan de boerderij, en vindt uiteindelijk een ei, dat toe blijkt te behoren aan het overleden liefje van haar beste vriend, de eend Dwaler. Dat ei broedt ze uit. De kip die dacht dat ze kon vliegen gaat over de verstikking van hiërarchische verhoudingen en sociale verwachtingen, over durven kiezen voor je dromen, over tolerantie, moederschap en opoffering. Maar dat is me allemaal te evident en in te weinig avontuurlijk proza gegoten. Veel kan ik er niet over zeggen, behalve dat ik het waarschijnlijk niet had uitgelezen als het niet zo dun was.

Zul je net zien dat de laatste alinea me toch ontroerde. Altijd weer die vervloekte dood.

Vrijdag

Zo’n dag als gisteren – een verloren dag – knaagt aan mijn enthousiasme. Dit project dreigt werk te worden, precies wat het niet moest zijn.

Toch maar dapper doorgezet. Vandaag op het menu: Nobelprijswinnaar Roger Martin du Gard, die ik eigenlijk alleen ken van op het oog loodzware werken als De Thibaults en Luitenant-kolonel de Maumort. Dat maakt Het oude Frankrijk, een bescheiden roman uit 1933, zo’n aangename verrassing. Het blijkt licht verteerbaar – daar was ik wel aan toe, geloof ik.

Een dag lang volgen we de dubbelhartige postbode Joigneau op zijn ronde in een klein Frans dorpje. Die Joigneau kent iedereen en schroomt er niet voor zijn opgedane kennis te misbruiken, om een extra zakcentje te ontfutselen aan de burgemeester of te helpen oude vrouwtjes te bezwendelen. Die kennis verkrijgt Joigneau ook langs clandestiene weg, want ‘geen enkele enveloppe is niet open te stomen; het duurt lang of kort, open gaan ze allemaal’. Niemand heeft in de gaten wat Joigneau allemaal in de zin heeft. ‘Zijn gladde faunmasker verraadt hem nooit: zijn ogen liggen dubbel verstopt, achter de dikke wenkbrauwen en de gebogen spleet die zijn oogleden vormen. Wat de uitdrukking van zijn mond aangaat, die is eeuwig verborgen achter die grote snor.’

Prachtfiguur.

De schrijver biedt ons een weinig flateuze staalkaart van kleingeestige dorpsbewoners, godvrezend of niet, en van buiten de maatschappij staande armoedzaaiers. Er zijn incestplegers, politieke fanaten van linkse en rechtse snit en ondernemers die enkel oog hebben voor eigenbelang. Karikaturaal, ik geef het toe, maar ik kom uit zo’n dorp. Al lezende legde ik het boek soms even weg, omdat mijn gedachten afdreven naar het Gronings platteland van de jaren tachtig. Ik zag dat land door het prisma van de schrijver en dacht er met een mengeling van weemoed en gruwel aan terug.

Mijn grootmoeder, 92, beklaagt zich er weleens over dat mensen steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. Ze wijst dan op kleurrijke figuren uit haar eigen jeugd: een grootvader die, wanneer een brugwachter te lang draalde, de brug meenam op de voorplecht van zijn sleepboot, of de oom die voor zijn winkel met comestibles zat te tekenen, terwijl zijn klanten de zaak middels het nog niet bestaande begrip ‘zelfbediening’ leeg haalden. We hebben de illusie in individualistische tijden te leven, maar het leven is dermate gestroomlijnd – door formulieren en voorzieningen – dat de bandbreedten van gedrag veel nauwer zijn geworden. Dat is winst, want minder abjecte armoede en minder mensen die buiten de polite society staan. Maar er is ook wat verloren gegaan. We zijn zoals moderne auto’s, degelijk maar uniform, want praktisch uitontwikkeld. Vroeger moest je voortdurend naar de garage, maar je wrak had tenminste karakter.

In ons dorp was er dertig jaar terug nog ruimte voor krenten in de grauwe, gereformeerde pap. Ik denk dan aan de bejaarde tweeling die een ouderwetse kruidenierszaak runde, met ernaast een clandestien café – half dement fietsten ze door het dorp, iedereen onophoudelijk ‘moi, moi, moi’ toevoegend. Ik denk aan Kabouterbaard, die altijd voor zijn huisje zat te kijken naar het passerend verkeer. Ik denk aan de dierenvriend met het reuzenlichaam, die stiekem speelde met mannen in het bos en die zich – na gedwongen opname – in het schuurtje van zijn woning opgeknoopte.

En ik denk aan mijn eigen familie, waarover gefluisterd werd. Ja, ik denk dus ook aan mezelf.

Toch wel blij dat ik enigszins genormaliseerd ben. Toch wel blij dat ik ooit anders was.

De boeken die Auke Hulst gelezen heeft voor dit project. 

Zaterdag

Het boek dat ik een paar dagen terug kocht, en dat te dik is, is Valeria Luiselli’s De gewichtlozen. Luiselli is een schrijfster die me fascineert, omdat ze zich vol zelfvertrouwen de drassige grond tussen romankunst en essayistiek heeft toegeëigend. Zelfs verzuip ik daar nogal eens, maar de Mexicaanse staat ferm en steekt nog eens een sigaret op. Althans, dat was zo in Valse papieren (2010), het eerste boek dat van haar in het Nederlands vertaald is, en dat ik vandaag heb herlezen.

Het herlezen van essayistisch proza, als dat het woord is, is een kwestie van winst en verlies. Een gedachte die eerst lucide leek, voelt bij tweede vertering al behoorlijk uitgekauwd. Maar daar staat tegenover dat andere passages juist verdiepen.

Als ik een boek lees met het doel het te bespreken, maak ik oortjes op pagina’s waar iets stond dat me van belang leek: een zin, een idee, een beschrijving. Naderhand keer ik terug naar de geoormerkte pagina’s. Indien iets me bij herhaalde lezing nogmaals treft, maak ik er een notitie van. Vaak, echter, ontgaat het nut van het oortje me – de gedachte had te weinig gewicht. Gewoonlijk buig ik naderhand de pagina’s weer in vorm, maar de oortjes van de eerste lezing waren er nog:

‘Misschien is het wel zo dat we allemaal maar twee permanente verblijfsplekken hebben: het huis van onze kindertijd en het graf. Alle andere plekken waar we ooit zullen wonen zijn niets meer dan een grijsachtig voortborduren op die eerste verblijfplaats, een onduidelijke opeenvolging van muren die uiteindelijk overgaan in het graf of in de urn – de meest nietige benaming van het oneindig aantal ruimten waarin een menselijk lichaam past.’

En: ‘De enige gezworen vijand van de fietser is de hond, het dier dat obsceen genoeg afgericht lijkt om elk object dat zich sneller dan hij voortbeweegt te achtervolgen.’ (Wanneer ik vroeger het onverharde bospad naar de weg richting het dorp nam, moest altijd een klein keffertje worden getrotseerd, soms door een schop tegen zijn bijtgrage bek.)

En: ‘Met de intrede van de computer is de spil waaromheen een groot gedeelte van de essaytraditie draaide voor altijd op losse schroeven komen te staan: het trage zelfportret. De traditie van de slentertocht – of dat nu over straat is of door het scriptorium – loopt op haar einde.’

En: ‘We leven in een wereld waar lang geleden de status van de straat als openbare ruimte en die van het huis als de privéruimte bij uitstek onderling ingewisseld zijn, en door die ommekeer blijkt het moeilijk te weten wanneer we echt binnen en buiten zijn.’

Waar ik bij herlezing door getroffen werd, zijn de pagina’s over saudade, een onvertaalbaar, en misschien ook wel schimmig begrip dat zich ergens ophoudt tussen melancholie en nostalgie. Dat is ongetwijfeld het gevolg van het lezen van Het duister zichtbaar, een paar dagen terug nog maar, al lijkt het langer, omdat de snel opeenvolgende boeken een illusie van vervlogen tijd hebben gewekt.

‘Saudade loenst,’ schrijft Luiselli, ‘ze kijkt met één oog vooruit en met het andere achteruit.’ Dat geldt eigenlijk ook voor herlezen. Het is nostalgie naar een al bekende tekst, met de hoop er nieuwe betekenis aan te kunnen onttrekken.

Zondag

Soms jaagt een boek je angst aan. Dat geldt zeker voor Brief aan een nooit geboren kind van Oriana Fallaci, dat ik al een tijdje op een stapel had liggen, maar heb laten wachten tot de laatste dag. Dat heeft veel te maken met een persoonlijk verlies en de vrees dat, hoewel ik mezelf iets anders wijsmaak, dat verlies nog dicht onder de huid ligt te broeien. Toch wilde ik het lezen, als een test van mijn eigen gesteldheid, en misschien ook om inzicht te krijgen in overwegingen en gevoelens die ik indertijd niet begreep. Goede literatuur is een ontmoeting met de wereld en de ander en een botsing met jezelf.

Een jonge vrouw, ongewenst zwanger van een vaatdoek van een geliefde, spreekt tot haar ongeboren kind. Wil ze dat kind wel? Staat het haar eigenlijke doelen in het leven niet in de weg? Wiens belangen prevaleren en waar ligt de macht in de verhouding tussen moeder en ongeborene? Welke externe druk ervaart een vrouw bij het maken van haar afweging om een kind wel of niet te houden? Met welke dilemma’s worstelt ze? Op zeker moment onderneemt de vrouw een reis die haar door de doktoren wordt afgeraden. Teveel risico. Maar de vrouw zegt: ‘Ik ga uit dit ziekenhuis weg en dan gebeurt er maar wat er gebeurt. Als je erin slaagt geboren te worden, word je geboren. En als je daar niet in slaagt, sterf je. Ik vermoord je niet, laat dat duidelijk zijn: ik weiger alleen je te helpen om je tirannie ten volle uit te oefenen.’

En toch, en toch… Dit boek, dat ik vreesde, wil maar niet binnenkomen. Heb ik me zozeer schrap gezet dat de botsing geen deuk in mijn gedachten meer kan maken? Of erger ik me te zeer? De vrouw draait een gekend riedeltje af: dat je iemand niet ter wereld kan brengen in deze verschrikkelijke wereld. Ordinaire zelfrechtvaardiging… Als die wereld een mens niet kan worden aangedaan, waarom dan zelf gebleven?

Maar opgepast, Auke, dat is niet de kern, hè? Sluit je niet af voor wat er gezegd wordt. En voor wat niet gezegd wordt, maar wel bedoeld.

Uiteindelijk dwingt Fallaci me na te denken over mijn eigen gebrekkige ontvankelijkheid. Mijn huidige vriendin las dit boek eerder en was er kapot van, hoewel het onderwerp voor haar – nooit zwanger geweest en van een leeftijd waarop de biologie nog geen dwingende signalen afgeeft – abstracter moet zijn dan voor mij. Heeft het dan puur met sekse te maken? Verzet ik me daardoor tegen dit boek? Of is werkelijke inleving voor een man simpelweg onmogelijk?

De positie van de man, de vader, is een problematische, zoveel is duidelijk. Het ventileren van een sterke mening wordt al snel (en terecht) ervaren al druk uitoefenen, een inbreuk op ‘baas in eigen buik’. Maar het onverkort steunen van het besluit van de moeder (‘wat jij wilt, schatje’) lijkt verdacht veel op afschuiven van verantwoordelijkheid. De onbevredigende conclusie is deze: de vrouw staat per definitie alleen in de worsteling, de man is veroordeeld tot de rol van schuldige buitenstaander.

Waarmee dit leesdagboek eindigt. Ik heb iets van oude leesliefde teruggewonnen, jazeker. Maar vooral werd ik getroffen door hoe ik boeken verbind aan mijn eigen leven. De wijze waarop zegt iets over wat de kernmomenten in dat leven geweest zijn. De kinderjaren na de dood van mijn vader; de vechtrelatie met een ex-vriendin. Dezelfde perioden die mijn eigen werk kleuren, soms onherkenbaar vervormd, verminkt, verfraaid; teruggebracht tot thema’s en emoties in plaats van feitelijke gebeurtenis. Terwijl andere jaren, die van rust, uiteindelijk veel belangrijker zijn voor het dagelijks geluk.

Het zijn de vragen waar we niet uitkomen, die ons bezig blijven houden, niet de vragen die naar tevredenheid zijn beantwoord. Wat literatuur doet, is die vragen op steeds andere manieren stellen.