Waarom Nederland miljoenen verdient met paardenfokken

Foto ANP

Nederland is niet alleen goed in paardensport, we worden er ook rijk van. In 2014 exporteerde ons land voor 298 miljoen dollar (273 miljoen euro) aan paarden naar de rest van de wereld.

Vanaf vandaag huppelen tientallen raspaarden weer drie dagen lang op de lichtbruine zandgrond rond alsof hun leven ervan afhangt, tijdens de Nederlandse Kampioenschappen dressuur in Ermelo.

Volgens de databank van de Verenigde Naties is Nederland een van de grootste exporteurs van paarden wereldwijd:

Het Nederlandse toppaard Totilas dat vijf jaar geleden aan een Duitser werd verkocht, kostte naar verluidt tien miljoen euro. Daarmee is het een van de duurste hengsten allertijden.

Waarom is Nederland zo vreselijk goed in paardenfokken? Vier redenen.

1. Nederland is klein

Met afstand de lucratiefste handelspartner van Nederland zijn de Verenigde Staten. De gemiddelde prijs die een Amerikaan betaalt voor een Nederlands paard is 66 duizend euro.

Wat veel Amerikanen - en rijke Russen en Arabieren - fijn vinden aan Nederland, is dat het zo klein is. Een paardenliefhebber die Nederland bezoekt om een volbloedhengst aan te schaffen, kan in een straal van honderd kilometer tientallen maneges, fokkerijen of concours bezoeken. Wil je in de Verenigde Staten hetzelfde doen, dan moet je duizenden kilometers afleggen.

2. Strenge keuring

Wil je als fokker geld verdienen, dan moet je je paard in een van de Nederlandse stamboeken krijgen. Veruit het bekendste stambboek is de Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN). De selectie daarvoor is behoorlijk strict.

Streng kijkende keurmeesters beoordelen het beest op het uiterlijk (heeft het een afwijkende hoefvorm, een onderontwikkeld oog?) en motoriek (stapt het wel genoeg vanuit de schouders, is de draf lichtvoetig genoeg?). Van de vijfhonderdvijftig hengsten die jaarlijks auditie doen voor het KWPN-stamboek, haalt minder dan vijf procent het.

Met deze hengsten kunnen fokkers vervolgens flink geld verdienen: een kwakje ervan kost al gauw duizenden euro’s. Paardenfokkers die hun merries daarmee willen bevruchten, kopen het gretig in. Het zaad van Totilas, dat zo’n tienduizend euro kost, leverde zijn eigenaar in één jaar twee miljoen euro op.

3. Ons grootste stamboek is vooruitstrevend

Waar stamboeken uit andere landen vasthouden aan het puur houden van het nationale paardenbloed, is bij de KWPN iedereen welkom. Duits, Frans of Engels – als het maar aan de strenge eisen voldoet. Bij sommige Duitse paardenfamilies bijvoorbeeld, is buitenlands bloed niet toegestaan. Daardoor lopen zij kwaliteit mis.

Volgens Dirk Willem Rosie, hoofdredacteur van de Paardenkrant, ging KWPN ook als eerste stamboek ter wereld selecteren op erfelijke gebreken en ziektes, onder meer door röntgenfoto’s van het paard te maken. Rosie:

“Daardoor zijn KWPN-paarden nu de gezondste in hun soort wereldwijd.”

4. Iedereen doet eraan

Maarten van der Heijden, technisch directeur van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie:

“In de paardenbranche gaat jaarlijks 1,5 miljard euro om. Er is geen dorp in Nederland waar niet een manege of rijvereniging is. Er zijn hier jaarlijks 7.700 officiële paardenwedstrijden. Elk weekend is er wel ergens een wedstrijd die je kunt rijden.”

Dat drijft het niveau van de paardensport omhoog. En daarmee de prijs van de paarden, want de waarde van een ros wordt onder meer bepaald door behaalde successen en de ervaring die het heeft.