Gras, gras en nog meer gras

Thrillerauteurs scheppen er genoegen in hun hoofdpersonen allerlei persoonlijks te ontnemen: dierbaren, vrijheid, bezit, status. De surrealistische thriller Hemelstrand pakt het anders aan. Vier kamperende Zweedse gezinnen wordt niets persoonlijks ontnomen, maar wel de rest. Alle rest: niets minder dan de dagelijkse realiteit. Niet een kind of geliefde blijkt verdwenen, maar alle hoofdzaken op de achtergrond; bijvoorbeeld de zon en de rest van de mensheid.

‘Bijna alles is weg’, meldt het dochtertje Molly aan haar zojuist ontwaakte moeder. In de loop van die ochtend komen acht volwassenen, twee kinderen, een hond en een kat ongelovig tot een ontdekking die zo schokkend is dat zij niet volledig doordringt: de wereld lijkt gereduceerd tot henzelf, hun auto's, caravans en spullen. Andere kampeerders, de gebouwen, wegen, bomen: de wereld is weg. De horizon, die door de leegte merkwaardig dichtbij lijkt, toont in de verte hetzelfde idioot kort geknipte gras als dat onder hun voeten. Een oneindig vergezicht van een uitgestrekt, oersaai gazon, 360 graden rondom. Geen bloemen, vogels of insecten en in de wolkeloze zomerse hemel ontbreekt de zon, hoewel het klaarlichte dag is. Van deze versoberde omgeving gaat geen directe dreiging uit maar de hoofdpersonen schieten, als de nieuwe realiteit niet meer ontkend kan worden, vanzelfsprekend zwaar in de existentiële stress.

Die hoofdpersonen zijn twee oudere homoseksuele boeren, een profvoetballer op z’n retour en dito fotomodel, een passief-aggressieve huisvrouw en haar door Amerika geobsedeerde man en Stefan en Catrina, de liefhebbende ouders van het kwetsbare jongetje Emil. Terwijl de volwassenen de omgeving systematisch beginnen te verkennen met hun auto's (gras, gras en nog meer gras) lijken de hond Benny (tot wiens gedachten de lezer toegang heeft) en het verontrustende dochtertje Molly (‘Ik ben een fontein van bloed in de vorm van een meisje’) nog het beste aan te voelen wat er aan de hand kan zijn. De anderen vervallen ondanks hun onbegrip echter niet in totale hysterie.

Lindqvist (Het Zeewezen, Laat de ware binnenkomen) suggereert dat de situatie eerder wordt veroorzaakt door het innerlijk menselijk tekort in de aanwezige kampeerders dan door een bovennatuurlijke externe factor. Hun zwakheden, verlangens en trauma's hebben een kritieke massa bereikt waardoor de realiteit zich genoodzaakt zag tot reductie en metamorfose; haar nieuwe vorm biedt de hoofdpersonen een versimpelde arena om elkaar en zichzelf eindelijk te leren kennen. Daarmee doet Hemelstrand meestal meer denken aan Samuel Beckett – er zijn echo’s van de absurditeit en humor van diens stuk Happy days – dan aan het werk van Stephen King, met wie hij sinds Hemelstrand wordt vergeleken. De horror zit hier in mensen en niet in monsters. Als de kampeerders figuren ontwaren aan hun groene horizon, blijkbaar ontsproten aan hun zeer persoonlijke angsten, zijn er associaties met Solaris van Stanislaw Lem. De bijna komische onverstoorbaarheid waarmee de ooit zo betrouwbare ‘realiteit’ de hoofdpersonen steeds absurdere gebeurtenissen serveert, herinnert aan het verhaal Bloodfall van T.C. Boyle. Maar Hemelstrand doet, zoals alle originele werken, vooral aan zichzelf denken en hoewel Lindqvists gewaagde experiment niet overal volledig slaagt, is camping Saluddens een gedenkwaardig oord waaruit ontsnappen, in zekere zin, gelukkig mogelijk blijkt.