Hoe het bittere meloentje een vlezige reuzenvrucht werd

Voordat meloenen zoete, vlezige reuzenvruchten werden, is hun DNA flink door elkaar gehusseld. Daarover schreven Spaanse genetici woensdag in Molecular Biology & Evolution.

De genetici vergeleken het DNA van twee bekende supermarktmeloenen – de ‘Cantaloupe’ en de ‘Piel de Sapo’ - met dat van twee wilde meloenrassen en drie lokale variëteiten. Die kwamen overal vandaan, zoals van de Kaapverdische Eilanden en een groentemarkt in Irak. Wilde meloenen zijn zo groot als een pruim, en hun schaarse vruchtvlees is bitter.

Zoals verwacht was de genetische variatie in de commerciële rassen het kleinst, maar verrassend was het grote aantal ‘transposons’ in het meloen-DNA. Transposons zijn springende stukjes DNA die de genetische code grootscheeps kunnen veranderen.

Dat gebeurde dan ook, bij de veredeling van meloenen. De Cantaloupe en de Piel de Sapo (‘paddehuid’), die nauw aan elkaar verwant zijn, kregen mede dankzij deze transposons toch een verschillende kleur, smaak en uiterlijk – denken de biologen van het landbouwinstituut CSIC-IRTA van de Universitat Autònoma de Barcelona.

Commerciële meloenen vertegenwoordigen maar een klein deel van de wereldwijde meloenenvariatie. Lokale meloenrassen hebben alle vormen: van plat of rond, tot uitgerekt en twee meter lang. Wilde meloenen (Cucumis melo) groeien in Afrika en Azië – uit welk van die werelddelen geteelde meloenen afkomstig zijn, is nog een punt van discussie. Watermeloenen (Citrullus lanatus) zijn een andere plantensoort.